HOOFDPOES

27 september 2011

Mijn generatie mannen is opgevoed volgens het adagium van zanger-filosoof Jacques ‘Manuela’ Herb, Een Man Mag Niet Huilen. Onze moeders maakten echte kerels van ons die niet hoefden af te wassen. Vele pogingen zijn sindsdien ondernomen om de man te verwatjessen, denk aan het verschijnsel metroman. Omdat dat ook niet helemaal is geworden wat iedereen er van verwachtte, zijn we inmiddels weer zo’n beetje terug bij af: de metromacho, zeg maar ruwe bolster, blanke pit.

Binnen dat concept zijn nog verschillende gradaties. De schaal loopt van de kiwi-man – dun ruw schilletje om grote zachte kern – tot de beukennootman – stekelige buitenkant, harde nootschil en onooglijk wit binnen-nootje.

Maar steeds meer mannenkenners en –liefhebbers vinden dat met deze simpele stereotypering de mannen te kort gedaan wordt. Er is meer. Ikzelf bijvoorbeeld, zo’n echte vent dat het bijna verdacht wordt, merk dat ik met het verstrijken der jaren steeds sentimenteler word. Zo bleek maar weer toen we onlangs een smartelijk verlies in eigen kring te verwerken kregen.

We hebben namelijk een van onze vele katten naar de eeuwige jachtvelden moeten begeleiden. En nog wel de eerste de beste. De hoofdpoes. Of, zoals mijn vrouw opmerkte: ‘dat hij nou uitgerekend als eerste moet gaan.’ Dat konden de overgebleven drie (!) in hun zakjes steken. Blanco heette hij; omdat hij zo uitzag, wit, maar vooral omdat hij zo kon kijken, met een onpeilbaar diepe, onbenullige, nietszeggende blik. Ex-kater en dramaqueen van de hoogste orde. Verwend tot op het bot. Voorbeeldje. Toen een plekje op zijn neus door de vee-arts werd gekwalificeerd als mogelijk kwaadaardig, moest hij eigenlijk voortaan zonnebrandcrème op als hij naar buiten ging. Ik heb dat verboden. Later is de vreselijke ziekte blijkbaar op zijn stembandjes geslagen, want hij trok nog wel een muil open, maar er kwam geen geluid meer uit. Pure aanstellerij vermoed ik. Miauwen was trouwens toch niet nodig, want de kat had werkelijk alles wat zijn hartje begeerde. Als mijn vrouw en de kinderen stonden af te wassen, ging hij vast bij de bank zitten waar zij zich pleegt neer te vlijen na het eten. Zodra ze de plaid over zich heen trok, klom hij boven op haar en mepte iedereen met dezelfde plannen uit de buurt.

Hij was al een paar dagen niet thuis gekomen en dat was alarmerend voor een kat die normaal gesproken om kwart voor vijf bij zijn bakje plaatsnam in afwachting van de luxe-brokjes in gelei.

Uiteindelijk blijkt hij zich met zijn laatste krachten naar huis gesleept te hebben om zichzelf voor het laatst door het kattenluikje te katapulteren. Vanaf zijn middel naar achteren toe verlamd. ‘Het gaat niet goed met onze Blanco,’ hoor ik mijn vrouw nog zeggen.

Gevoelige lezers kunnen nu nog besluiten om niet verder te lezen; het wordt namelijk nog erger.

‘Iets met het hart,‘ concludeerde de dierenarts van dienst, ‘dat pompt het bloed niet meer naar zijn achterlijf.’ Terwijl ik nog wacht op het behandelplan, heeft mijn vrouw het al begrepen, die slaat luidkeels aan het snotteren. Of hij nog lijdt, wil ik weten. Dat niet, maar hij is ook niet meer te redden. Hij krijgt zijn laatste spuitje terwijl wij hem vasthouden. Luid spinnend en kopjes gevend glijdt hij weg. Wat kon die kat knorren zeg!

Nee, we wilden hem niet meenemen naar huis om te begraven en we hoefden zijn favoriete plaid, een heel duur kerstcadeau van iemand, ook niet terug. We wilden weg uit die spreekkamer des doods, even lekker samen janken op het parkeerterrein.

‘Ik ben blij dat hij nog naar huis is gekomen,’ sprak mijn vrouw, toen we ons weer een beetje herpakt hadden in de auto, ‘zodat we tenminste afscheid van hem hebben kunnen nemen.’ Ik vermoedde toen al dat ik daar iets genuanceerder over zou denken als ik de rekening van de dierenarts zou ontvangen.

Als een paar dagen later weer alles opgerakeld wordt, omdat onze eigen dierenarts via het circuit van het drama heeft gehoord en ons hartelijk condoleert: ‘Zullen we een nieuw knuffelpoesje nemen? Ik heb eigenlijk niets met de drie die nog over zijn.’ En dat terwijl ik net opmerkelijke veranderingen bij de drie achterblijvers constateer. Die kunnen eindelijk rustig thuiskomen, zonder bang te zijn voor een wit meppertje achter het kattenluikje, rustig hun bakje leeg eten zonder steeds over hun schoudertjes te hoeven kijken, ook eens lekker op de bank zitten. Weliswaar zonder plaid.

Voorlopig geen nieuwe katten. Eerst de huidige drie opmaken. Nog drie drama’s te gaan.

Mijn generatie mannen is opgevoed volgens het adagium van zanger-filosoof Jacques ‘Manuela’ Herb, Een Man Mag Niet Huilen. Onze moeders maakten echte kerels van ons die niet hoefden af te wassen. Vele pogingen zijn sindsdien ondernomen om de man te verwatjessen, denk aan het verschijnsel metroman. Omdat dat ook niet helemaal is geworden wat iedereen er van verwachtte, zijn we inmiddels weer zo’n beetje terug bij af: de metromacho, zeg maar ruwe bolster, blanke pit.

Binnen dat concept zijn nog verschillende gradaties. De schaal loopt van de kiwi-man – dun ruw schilletje om grote zachte kern – tot de beukennootman – stekelige buitenkant, harde nootschil en onooglijk wit binnen-nootje.

Maar steeds meer mannenkenners en –liefhebbers vinden dat met deze simpele stereotypering de mannen te kort gedaan wordt. Er is meer. Ikzelf bijvoorbeeld, zo’n echte vent dat het bijna verdacht wordt, merk dat ik met het verstrijken der jaren steeds sentimenteler word. Zo bleek maar weer toen we onlangs een smartelijk verlies in eigen kring te verwerken kregen.

We hebben namelijk een van onze vele katten naar de eeuwige jachtvelden moeten begeleiden. En nog wel de eerste de beste. De hoofdpoes. Of, zoals mijn vrouw opmerkte: ‘dat hij nou uitgerekend als eerste moet gaan.’ Dat konden de overgebleven drie (!) in hun zakjes steken. Blanco heette hij; omdat hij zo uitzag, wit, maar vooral omdat hij zo kon kijken, met een onpeilbaar diepe, onbenullige, nietszeggende blik. Ex-kater en dramaqueen van de hoogste orde. Verwend tot op het bot. Voorbeeldje. Toen een plekje op zijn neus door de vee-arts werd gekwalificeerd als mogelijk kwaadaardig, moest hij eigenlijk voortaan zonnebrandcrème op als hij naar buiten ging. Ik heb dat verboden. Later is de vreselijke ziekte blijkbaar op zijn stembandjes geslagen, want hij trok nog wel een muil open, maar er kwam geen geluid meer uit. Pure aanstellerij vermoed ik. Miauwen was trouwens toch niet nodig, want de kat had werkelijk alles wat zijn hartje begeerde. Als mijn vrouw en de kinderen stonden af te wassen, ging hij vast bij de bank zitten waar zij zich pleegt neer te vlijen na het eten. Zodra ze de plaid over zich heen trok, klom hij boven op haar en mepte iedereen met dezelfde plannen uit de buurt.

Hij was al een paar dagen niet thuis gekomen en dat was alarmerend voor een kat die normaal gesproken om kwart voor vijf bij zijn bakje plaatsnam in afwachting van de luxe-brokjes in gelei.

Uiteindelijk blijkt hij zich met zijn laatste krachten naar huis gesleept te hebben om zichzelf voor het laatst door het kattenluikje te katapulteren. Vanaf zijn middel naar achteren toe verlamd. ‘Het gaat niet goed met onze Blanco,’ hoor ik mijn vrouw nog zeggen.

Gevoelige lezers kunnen nu nog besluiten om niet verder te lezen; het wordt namelijk nog erger.

‘Iets met het hart,‘ concludeerde de dierenarts van dienst, ‘dat pompt het bloed niet meer naar zijn achterlijf.’ Terwijl ik nog wacht op het behandelplan, heeft mijn vrouw het al begrepen, die slaat luidkeels aan het snotteren. Of hij nog lijdt, wil ik weten. Dat niet, maar hij is ook niet meer te redden. Hij krijgt zijn laatste spuitje terwijl wij hem vasthouden. Luid spinnend en kopjes gevend glijdt hij weg. Wat kon die kat knorren zeg!

Nee, we wilden hem niet meenemen naar huis om te begraven en we hoefden zijn favoriete plaid, een heel duur kerstcadeau van iemand, ook niet terug. We wilden weg uit die spreekkamer des doods, even lekker samen janken op het parkeerterrein.

‘Ik ben blij dat hij nog naar huis is gekomen,’ sprak mijn vrouw, toen we ons weer een beetje herpakt hadden in de auto, ‘zodat we tenminste afscheid van hem hebben kunnen nemen.’ Ik vermoedde toen al dat ik daar iets genuanceerder over zou denken als ik de rekening van de dierenarts zou ontvangen.

Als een paar dagen later weer alles opgerakeld wordt, omdat onze eigen dierenarts via het circuit van het drama heeft gehoord en ons hartelijk condoleert: ‘Zullen we een nieuw knuffelpoesje nemen? Ik heb eigenlijk niets met de drie die nog over zijn.’ En dat terwijl ik net opmerkelijke veranderingen bij de drie achterblijvers constateer. Die kunnen eindelijk rustig thuiskomen, zonder bang te zijn voor een wit meppertje achter het kattenluikje, rustig hun bakje leeg eten zonder steeds over hun schoudertjes te hoeven kijken, ook eens lekker op de bank zitten. Weliswaar zonder plaid.

Voorlopig geen nieuwe katten. Eerst de huidige drie opmaken. Nog drie drama’s te gaan.

Mijn generatie mannen is opgevoed volgens het adagium van zanger-filosoof Jacques ‘Manuela’ Herb, Een Man Mag Niet Huilen. Onze moeders maakten echte kerels van ons die niet hoefden af te wassen. Vele pogingen zijn sindsdien ondernomen om de man te verwatjessen, denk aan het verschijnsel metroman. Omdat dat ook niet helemaal is geworden wat iedereen er van verwachtte, zijn we inmiddels weer zo’n beetje terug bij af: de metromacho, zeg maar ruwe bolster, blanke pit.

Binnen dat concept zijn nog verschillende gradaties. De schaal loopt van de kiwi-man – dun ruw schilletje om grote zachte kern – tot de beukennootman – stekelige buitenkant, harde nootschil en onooglijk wit binnen-nootje.

Maar steeds meer mannenkenners en –liefhebbers vinden dat met deze simpele stereotypering de mannen te kort gedaan wordt. Er is meer. Ikzelf bijvoorbeeld, zo’n echte vent dat het bijna verdacht wordt, merk dat ik met het verstrijken der jaren steeds sentimenteler word. Zo bleek maar weer toen we onlangs een smartelijk verlies in eigen kring te verwerken kregen.

We hebben namelijk een van onze vele katten naar de eeuwige jachtvelden moeten begeleiden. En nog wel de eerste de beste. De hoofdpoes. Of, zoals mijn vrouw opmerkte: ‘dat hij nou uitgerekend als eerste moet gaan.’ Dat konden de overgebleven drie (!) in hun zakjes steken. Blanco heette hij; omdat hij zo uitzag, wit, maar vooral omdat hij zo kon kijken, met een onpeilbaar diepe, onbenullige, nietszeggende blik. Ex-kater en dramaqueen van de hoogste orde. Verwend tot op het bot. Voorbeeldje. Toen een plekje op zijn neus door de vee-arts werd gekwalificeerd als mogelijk kwaadaardig, moest hij eigenlijk voortaan zonnebrandcrème op als hij naar buiten ging. Ik heb dat verboden. Later is de vreselijke ziekte blijkbaar op zijn stembandjes geslagen, want hij trok nog wel een muil open, maar er kwam geen geluid meer uit. Pure aanstellerij vermoed ik. Miauwen was trouwens toch niet nodig, want de kat had werkelijk alles wat zijn hartje begeerde. Als mijn vrouw en de kinderen stonden af te wassen, ging hij vast bij de bank zitten waar zij zich pleegt neer te vlijen na het eten. Zodra ze de plaid over zich heen trok, klom hij boven op haar en mepte iedereen met dezelfde plannen uit de buurt.

Hij was al een paar dagen niet thuis gekomen en dat was alarmerend voor een kat die normaal gesproken om kwart voor vijf bij zijn bakje plaatsnam in afwachting van de luxe-brokjes in gelei.

Uiteindelijk blijkt hij zich met zijn laatste krachten naar huis gesleept te hebben om zichzelf voor het laatst door het kattenluikje te katapulteren. Vanaf zijn middel naar achteren toe verlamd. ‘Het gaat niet goed met onze Blanco,’ hoor ik mijn vrouw nog zeggen.

Gevoelige lezers kunnen nu nog besluiten om niet verder te lezen; het wordt namelijk nog erger.

‘Iets met het hart,‘ concludeerde de dierenarts van dienst, ‘dat pompt het bloed niet meer naar zijn achterlijf.’ Terwijl ik nog wacht op het behandelplan, heeft mijn vrouw het al begrepen, die slaat luidkeels aan het snotteren. Of hij nog lijdt, wil ik weten. Dat niet, maar hij is ook niet meer te redden. Hij krijgt zijn laatste spuitje terwijl wij hem vasthouden. Luid spinnend en kopjes gevend glijdt hij weg. Wat kon die kat knorren zeg!

Nee, we wilden hem niet meenemen naar huis om te begraven en we hoefden zijn favoriete plaid, een heel duur kerstcadeau van iemand, ook niet terug. We wilden weg uit die spreekkamer des doods, even lekker samen janken op het parkeerterrein.

‘Ik ben blij dat hij nog naar huis is gekomen,’ sprak mijn vrouw, toen we ons weer een beetje herpakt hadden in de auto, ‘zodat we tenminste afscheid van hem hebben kunnen nemen.’ Ik vermoedde toen al dat ik daar iets genuanceerder over zou denken als ik de rekening van de dierenarts zou ontvangen.

Als een paar dagen later weer alles opgerakeld wordt, omdat onze eigen dierenarts via het circuit van het drama heeft gehoord en ons hartelijk condoleert: ‘Zullen we een nieuw knuffelpoesje nemen? Ik heb eigenlijk niets met de drie die nog over zijn.’ En dat terwijl ik net opmerkelijke veranderingen bij de drie achterblijvers constateer. Die kunnen eindelijk rustig thuiskomen, zonder bang te zijn voor een wit meppertje achter het kattenluikje, rustig hun bakje leeg eten zonder steeds over hun schoudertjes te hoeven kijken, ook eens lekker op de bank zitten. Weliswaar zonder plaid.

Voorlopig geen nieuwe katten. Eerst de huidige drie opmaken. Nog drie drama’s te gaan.

Mijn generatie mannen is opgevoed volgens het adagium van zanger-filosoof Jacques ‘Manuela’ Herb, Een Man Mag Niet Huilen. Onze moeders maakten echte kerels van ons die niet hoefden af te wassen. Vele pogingen zijn sindsdien ondernomen om de man te verwatjessen, denk aan het verschijnsel metroman. Omdat dat ook niet helemaal is geworden wat iedereen er van verwachtte, zijn we inmiddels weer zo’n beetje terug bij af: de metromacho, zeg maar ruwe bolster, blanke pit.

Binnen dat concept zijn nog verschillende gradaties. De schaal loopt van de kiwi-man – dun ruw schilletje om grote zachte kern – tot de beukennootman – stekelige buitenkant, harde nootschil en onooglijk wit binnen-nootje.

Maar steeds meer mannenkenners en –liefhebbers vinden dat met deze simpele stereotypering de mannen te kort gedaan wordt. Er is meer. Ikzelf bijvoorbeeld, zo’n echte vent dat het bijna verdacht wordt, merk dat ik met het verstrijken der jaren steeds sentimenteler word. Zo bleek maar weer toen we onlangs een smartelijk verlies in eigen kring te verwerken kregen.

We hebben namelijk een van onze vele katten naar de eeuwige jachtvelden moeten begeleiden. En nog wel de eerste de beste. De hoofdpoes. Of, zoals mijn vrouw opmerkte: ‘dat hij nou uitgerekend als eerste moet gaan.’ Dat konden de overgebleven drie (!) in hun zakjes steken. Blanco heette hij; omdat hij zo uitzag, wit, maar vooral omdat hij zo kon kijken, met een onpeilbaar diepe, onbenullige, nietszeggende blik. Ex-kater en dramaqueen van de hoogste orde. Verwend tot op het bot. Voorbeeldje. Toen een plekje op zijn neus door de vee-arts werd gekwalificeerd als mogelijk kwaadaardig, moest hij eigenlijk voortaan zonnebrandcrème op als hij naar buiten ging. Ik heb dat verboden. Later is de vreselijke ziekte blijkbaar op zijn stembandjes geslagen, want hij trok nog wel een muil open, maar er kwam geen geluid meer uit. Pure aanstellerij vermoed ik. Miauwen was trouwens toch niet nodig, want de kat had werkelijk alles wat zijn hartje begeerde. Als mijn vrouw en de kinderen stonden af te wassen, ging hij vast bij de bank zitten waar zij zich pleegt neer te vlijen na het eten. Zodra ze de plaid over zich heen trok, klom hij boven op haar en mepte iedereen met dezelfde plannen uit de buurt.

Hij was al een paar dagen niet thuis gekomen en dat was alarmerend voor een kat die normaal gesproken om kwart voor vijf bij zijn bakje plaatsnam in afwachting van de luxe-brokjes in gelei.

Uiteindelijk blijkt hij zich met zijn laatste krachten naar huis gesleept te hebben om zichzelf voor het laatst door het kattenluikje te katapulteren. Vanaf zijn middel naar achteren toe verlamd. ‘Het gaat niet goed met onze Blanco,’ hoor ik mijn vrouw nog zeggen.

Gevoelige lezers kunnen nu nog besluiten om niet verder te lezen; het wordt namelijk nog erger.

‘Iets met het hart,‘ concludeerde de dierenarts van dienst, ‘dat pompt het bloed niet meer naar zijn achterlijf.’ Terwijl ik nog wacht op het behandelplan, heeft mijn vrouw het al begrepen, die slaat luidkeels aan het snotteren. Of hij nog lijdt, wil ik weten. Dat niet, maar hij is ook niet meer te redden. Hij krijgt zijn laatste spuitje terwijl wij hem vasthouden. Luid spinnend en kopjes gevend glijdt hij weg. Wat kon die kat knorren zeg!

Nee, we wilden hem niet meenemen naar huis om te begraven en we hoefden zijn favoriete plaid, een heel duur kerstcadeau van iemand, ook niet terug. We wilden weg uit die spreekkamer des doods, even lekker samen janken op het parkeerterrein.

‘Ik ben blij dat hij nog naar huis is gekomen,’ sprak mijn vrouw, toen we ons weer een beetje herpakt hadden in de auto, ‘zodat we tenminste afscheid van hem hebben kunnen nemen.’ Ik vermoedde toen al dat ik daar iets genuanceerder over zou denken als ik de rekening van de dierenarts zou ontvangen.

Als een paar dagen later weer alles opgerakeld wordt, omdat onze eigen dierenarts via het circuit van het drama heeft gehoord en ons hartelijk condoleert: ‘Zullen we een nieuw knuffelpoesje nemen? Ik heb eigenlijk niets met de drie die nog over zijn.’ En dat terwijl ik net opmerkelijke veranderingen bij de drie achterblijvers constateer. Die kunnen eindelijk rustig thuiskomen, zonder bang te zijn voor een wit meppertje achter het kattenluikje, rustig hun bakje leeg eten zonder steeds over hun schoudertjes te hoeven kijken, ook eens lekker op de bank zitten. Weliswaar zonder plaid.

Voorlopig geen nieuwe katten. Eerst de huidige drie opmaken. Nog drie drama’s te gaan.

Comments are closed.

 

september 2011
M D W D V Z Z
« mei   okt »
 1234
567891011
12131415161718
19202122232425
2627282930