BERGEN

13 november 2012

 

Onlangs was ik Zwitserland. ‘Nou, nou,’ zult u zeggen, ‘jij maakt wat mee! Globetrotter! Maar weet je zeker dat je ons daar mee lastig wil vallen?’ Op zich een goede en terechte vraag, maar ik kan het uitleggen. Zij het dan via een omweg.

 

Zoals inmiddels genoegzaam bekend mag worden verondersteld, ben ik van bronsgroeneikenhouten komaf. ‘Waar de breede stroom der Maas státig zeewaarts vloeit,(….) dáár is mijn Vaderland, Limburgs dierbaar oord.’ *) Dat geeft helemaal niets; ik ben al jaren geleden de wijde wereld in getrokken, Hollands getrouwd en ik heb het uiteindelijk, diep in mijn carrière, zelfs geschopt tot hoofdredacteur van dit prachtblad. Verder van huis kan een Limbo toch nauwelijks komen. Vervolgens ben ik daar dan wel vlot opgevolgd door een volbloed Friezin, want het moet voor jullie Noorderlingen natuurlijk ook niet gekker worden. Maar niettemin. Toch blijft het aan je kleven, die oorsprong, en vooral: je blijft het horen. Voor alle duidelijkheid en voor ál mijn Limburgse neven en nichten en andere familie, voordat ik straks niet meer wordt uitgenodigd voor die belachelijk gezellige bijeenkomsten: ik schaam me nergens voor en al helemaal niet voor mijn Limburgerigheid.

Niettemin was het voor mijn bazen, bij de oprichting van Noorderland, wel aanleiding om voor te stellen dat een inburgeringscursus misschien een goed idee zou zijn. En dat was het ook. Ik heb Groningen leren kennen via de zogenaamde Ruige Route; kanoën, fietsen en wandelen, Friesland vanaf een Skûtsje  en Drenthe in verschillende restaurants. Nee, ik ga niet in discussie over de samenstelling van dit kennismakingsprogramma.

Meer dan eens is me tijdens die Noorderland-onderdompeling, door zogenaamd stugge Noorderlingen in gezellige kletspraatjes langs de weg gevraagd of hun land mij niet te plat was, in vergelijking met mijn ‘eigen’ provincie dan. Nee dus. Om te beginnen beslaat het Limburgse heuvelland maar een klein stukje van het uiterste Zuiden van de provincie, zeg maar de wijde omgeving van de Cauberg. Anders zou de Maas ook niet statig zeewaarts vloeien, maar naar beneden kletteren. Waar ik ben opgegroeid is het gewoon Nederlands plat. Dat beviel me vroeger al en dat bevalt me nog steeds. Het zal met mijn dromerige inborst te maken hebben, maar ik hou gewoon van verre einders en van een blikveld met driekwart lucht en een streep vette klei of weiland onder in beeld; hier en daar gebroken door een trosje koeien en een kerktoren. Ik kan uren kijken naar het statig zeewaarts vloeien van willekeurig welke Nederlandse rivier dan ook. Saai? Een Nederlandse lucht is alleen saai als hij strakblauw is en dat komt zelden voor. Hollandse luchten inspireren niet voor niets door de eeuwen heen hele hordes kunstenaars. En zegt u eens, kent u één Zwitserse kunstschilder van naam en faam? Nou dan.

Wat ik er dan te zoeken had? Dat is een lang verhaal, maar ik was er dus en heb voorlopig weer genoeg bergen gezien. Op zich mankeert er niets aan bergen, maar ze liggen over het algemeen natuurlijk flink in de weg. Vaak zijn ze dan wel voorzien van tunnels, maar het zal u niet verbazen dat ik ook niet gek ben op tunnels. Ik vraag me vaak af wat het doet voor de volksaard als je steeds zo’n kolos pontificaal in beeld hebt; je wereldje is wel erg klein. Ik vraag u: kent u beroemde Zwitserse ontdekkingsreizigers of filosofen? Opnieuw: nou dan.

En dan zijn mijn vrouw en ik ook nog op de Jungfraujoch geweest, het hoogste punt van Europa naar het schijnt. Nergens in Europa kun je verder kijken. Had ik al gezegd dat ik enigszins last heb van hoogtevrees? Niettemin hebben we in verband met de belachelijke prijzen van de kaartjes voor het tandwieltreintje flink genoten toen we eenmaal boven waren. En op de weg terug, ergens halverwege in een stationsrestaurantje, hebben we alpenmacaroni gegeten, naar het schijnt een typisch Zwitsers gerecht dat mijn vrouw overigens lekkerder maakt.

Prima land hoor, dat Zwitserland, maar dan toch vooral voor de Zwitsers, lijkt mij. Misschien iets te nadrukkelijk neutraal, maar dat is een kwestie van smaak.

Ik ben blij dat ik weer thuis ben.

 

*) In tegenstelling tot wat bij officiële Limburgse gelegenheden gebruikelijk is, mag ik, tot ontzetting van echtgenote en kinderen,  graag deze eerste en laatste regel van het tweede couplet op luide toon zingbrullen. Het eerste, meestal gebruikte couplet begint met de fameuze strofe ‘Waar in ’t bronsgroen eikenhout, ’t nachtegaaltje zingt.’

Voor de volledigheid en de liefhebbers: http://nl.wikipedia.org/wiki/Limburgs_volkslied#Tekst

Leave a Reply

 

november 2012
M D W D V Z Z
« okt   dec »
 1234
567891011
12131415161718
19202122232425
2627282930