Een uitgave van mats bv ©
AANSTELLEN
Jaargang IX, 37
Zoonlief heeft last van zijn oren. Een beetje pijn links en een beetje meer rechts en soms andersom. Ja hoor, en ik heb last van zeurende haarwortels. Het is jammer voor de jongen, maar hij heeft nu eenmaal een lichte neiging tot overdrijven, aanstellen en simuleren van kwaaltjes en pijntjes.
'Zoals veel mannen,' meent mijn vrouw. Als hij zijn arm stoot, loopt hij vol overgave twee weken in een mitella en als er opgeruimd moet worden of een klusje gedaan, kan hij zomaar ineens een stevige hoofdpijn voelen opkomen. Maar vreemd genoeg, als er eens écht iets is, zoals laatst toen hij voor die mannenkwestie naar het ziekenhuis moest en geopereerd moest worden, is hij heel erg flink.
'Zoals veel echte mannen,' houd ik mijn vrouw voor. Ik weet dat het mijn zoon nog steeds een doorn in het oog is dat hij voor die opname geen zusterbeer heeft gehad. Maar zusterberen worden bij ons in het ziekenhuis alleen uitgereikt bij Eerste Hulp en dan alleen nog als het echt ernstig is. Zijn zus kreeg zo'n troostknuffel toen ze haar arm brak, jaren geleden; en nog steeds kan ze niet zonder het beertje in slaap vallen. Hij kreeg er geen toen hij een schop op zijn tenen liet vallen, een paar maanden later; jammer, maar helaas niets gebroken. Ik weet dat de jongen daarin discriminatie vermoedt. Want een vriendin van zijn zus heeft er ook een en die had ook niets gebroken, die was alleen flink geschrokken van een autobotsing.
Natuurlijk heb je de plicht als ouder om alle signalen serieus te nemen, maar als je drie keer een halve ochtend voor niets in de wachtkamer van de huisarts hebt gezeten, leg je de lat onwillekeurig wat hoger.
'Toch maar even in de gaten houden,' zegt mijn vrouw.
'We zullen vannacht om beurten bij hem waken,' probeer ik lollig en luchtig te zijn.
'Jij denkt zeker weer dat ik me aanstel,' zegt de kleinste van de twee hypochonders in dit gezin.
'Nou,' zeg ik, want ik wil niet liegen, 'ik denk dat het vast ook wel vanzelf kan overgaan.'
Om de demonstreren hoe erg het is, gaat hij vrijwillig slapen. Dat geeft te denken. De volgende dag wil hij zelfs niet met me mee zwemmen, waar hij anders gek op is. Vooruit dan maar weer, naar de dokter. En jawel hoor, dubbele oorontsteking en aan een kant zelfs al een klein gaatje.
'Maar dat groeit wel weer dicht hoor,' zegt de dokter die blijkbaar ziet hoe ik schrik, maar niet precies begrijpt waarom. Ik weet van vroeger nog heel goed hoe pijnlijk een oorontsteking kan zijn. Gelukkig wacht mijn zoon tot we buiten zijn om zijn gram te halen. 'En jij dacht nog wel dat ik me aanstelde, hè papa?'
'Ja,' zeg ik, ontkennen heeft geen zin, 'maar dat doe je soms ook.'
'Misschien wel,' moet de patiënt toegeven, 'maar nu niet. En ik heb ook nog hoge koorts.'
'Ja,' zeg ik.
