Een uitgave van mats bv ©

AFSPRAKEN

Jaargang XI, 3

Onze kinderen komen tegenwoordig alleen naar huis vanuit school. Eerst mochten ze het één keer uitproberen, maar dan wel op elkaar wachten en samen oplopen. En toen was het opeens elke dag. Mij is daarvoor geen toestemming gevraagd en dat is begrijpelijk, want ik ben daar zo mogelijk nog truttiger in dan mijn vrouw. Met mijn fantasie en voorstellingsvermogen, zijn de risico’s op die 300 meter van school naar huis dermate groot, dat ik het liefst een gewapende escorte mee zou sturen.

Ik overdrijf, want eerlijk gezegd was mij nog niet opgevallen dat ze ‘veel te laat’ uit school zijn. En ik weet eigenlijk niet of een kwartier tussen schoolsluitingstijd en thuiskomen lang of kort is. Nooit op gelet.

‘Ga jij eens kijken.’ Mijn vrouw vindt een kwartier, nou ja 20 minuten lang, zoveel is duidelijk.

‘Geen sprake van!’ Ik wil straks niet beschuldigd worden van ‘vertrouw je ons soms niet?’ of ‘wij kunnen heus wel zelf.’

Gelukkig gaat daar de bel. Zouden ze trouwens niet eens een sleutel moeten? Nee, nee, dat is twee hoofdstukken verder.

Het is alleen de zoon. ‘Hallo jongen hoe was het op school en waar is je zus?’

‘Oh goed hoor,’ zegt hij, die zijn ogen strak op de klaarstaande limonade-met-iets-lekkers gericht houdt terwijl hij zich ontdoet van jas en schooltas. Zoals altijd komt de jongen met vlammende honger thuis. Zijn zus heeft nadrukkelijk niet zijn prioriteit.

‘Geen idee waar die is’, maar dan schiet het hem toch te binnen: ‘O ja, die stond met haar verkering te zoenen in het fietsenhok.’

Nee natuurlijk doet onze dochter dat niet! Dat is een grapje!

‘Jij moet als grote sterke broer je zus wel in de gaten houden en beschermen als de nood aan de man komt.’

‘Ja dat is goed, mag ik nog een beetje limonade?’

Als je bij ons de straat afkijkt kun je de school bijna zien liggen. Bijna, want als ik de straat afkijk zie ik noch de school, noch de dochter liggen. Een vriendinnetje uit haar klas fietst langs.

‘Ik geloof dat het zou kunnen dat ze klassendienst heeft’, peinst die. Dat ze meester even helpt met opruimen van de klas aan het eind van de schooldag. Je ziet het kind denken: ‘Maakt u zich niet zo druk, die komt er zometeen aan’.

‘We moeten hier afspraken over maken’, zegt mijn vrouw. Ik begrijp niet hoe je je al na 20 minuten ernstige zorgen kunt maken en na 40 minuten nog steeds geen noemenswaardige actie ondernomen hebt.

‘Ze staat natuurlijk gewoon op het schoolplein’.

‘Of in de fietsenstalling’, meent zoonlief.

Zoals gewoonlijk moet de doorbraak in deze impasse van mij komen. Ik breng onze zoon naar pianoles en rij gewoon een blokje om langs het schoolplein. Als ze daar is, niks aan de hand, dan rijden we door en spreken we af dat hij en ik vooral niet stom doen en dan volgt vanavond nog een goed gesprek over dit onderwerp. Zoniet dan waarschuw ik per telefoon meteen de gebruikelijke alarm- en hulpdiensten.

Ze gaat zo op in een partijtje tafeltennis op het schoolplein met haar verkering, maar ook nog met een paar anderen, dat ze niet eens in de gaten heeft dat haar broer zich niet aan zijn afspraak houdt.