Een uitgave van mats bv ©
ASIEL
Jaargang XI, 35
Het laatste woord was nog niet gesproken over het asielbeleid bij ons thuis.
De feiten zijn bekend: er was een nestje jonge katjes en er was een actiegroep die ervoor ijverde om tenminste één van die kleine piepertjes toe te voegen aan onze veestapel. En er was een hoofd van het gezin dat daar dwars voor ging liggen. Voor alle duidelijkheid: die laatste ben ik dus.
Nou weet ik heus wel dat er achter mijn rug flink gegniffeld is, dat er op mijn eigen website openlijk getwijfeld werd aan mijn gezag, dat er geen enkele weddenschap over de kwestie is afgesloten omdat ‘het publiek’ unaniem van mening was dat ik het onderspit zou delven. Vroeg of laat zou ik voor de bijl gaan en we zouden nog lang en gelukkig verder leven met drie katten.
Nou, mooi niet.
Het is een hele vuile oorlog geweest waarbij alle middelen, geoorloofd en ongeoorloofd, zijn ingezet.
‘Ik denk dat ik heel hard moet huilen als de poesjes weg gaan omdat papa er niet tegen kan.’
‘Ze zijn zo aan elkaar gehecht dat ze alleen met z’n tweeën naar een goed gasthuis kunnen.’
Dat soort teksten.
Ikzelf ben er voortdurend in geslaagd mijn waardigheid te behouden en heb er alleen op gewezen dat ik ruim tien jaar geleden in een ziekenhuis een test heb ondergaan die zonneklaar aantoonde dat ik behoorlijk allergisch ben voor katten.
Hevig knipperend met mijn contactlenzen kon ik zelfs rode oogjes als bewijs aanvoeren. Een lichte oog-ontsteking die mijn zoon ook wel eens in een vakantie-zwembad zou hebben kunnen opgelopen, kwam ook niet ongelegen.
Op een gegeven moment had mijn vrouw een dierenarts gevonden die bereid was te verklaren dat ‘als meneer niet allergisch was voor twee katten, meneer dan ook niet allergisch kon zijn voor vier katten’.
Ik heb die vee-arts gebeld en hem luid en duidelijk uitgelegd dat je hooikoorts kunt krijgen van pollen in de lucht en meer hooikoorts van meer pollen. Dat hij moest ophouden mijn vrouw te indoctrineren en zo niet dat hij dan in elk geval mijn klandizie en waarschijnlijk ook die van de rest van de stad zou kunnen vergeten.
‘Laten we redelijk blijven meneer Heffels.’
‘Moet jij nodig zeggen.’
Toen ook nog die slome witte duikelaar van een ex-kater vrede sloot met de kleintjes, leek ik een verloren strijd te strijden.
De oplettende lezer merkt dat ik het steeds over meervoud heb en over ´vier katten´.
Dat kwam er nog bij.
Op een gegeven moment waren we er al drie kwijt en begon ik, om van het gezeur af te zijn, te neigen naar het accepteren van één zo´n mormeltje. En toen ging ´s avonds de telefoon. Een klein poesje kon niet wennen in zijn nieuwe thuis. Na één dag! Ik blijf volhouden dat mijn vrouw toen veel te makkelijk in de auto is gesprongen om dat kneusje met heimwee op te halen.
Uiteindelijk heb ik het hoog, heel hoog, op zijn allerhoogst moeten spelen: die katten eruit, of ik eruit.
Er is nog even getwijfeld, maar ik heb een schijnoverwinning behaald. Mijn vrouw beweert dat ze een collega misschien heeft geïnteresseerd en dat ze een briefje heeft opgehangen ergens in een dierenwinkel.
Voor het eerst in ons huwelijk heb ik mijn twijfels. En dus zie ik mij genoodzaakt tot een eigen advertentie over te gaan.
AANGEBODEN: twee heel erg lieve poesjes. Drie maanden oud, zusjes. Volledig ingeënt en ontwormd. Mét paspoort. Luisteren niet naar de namen ‘Veto’ en ‘Junior’. Goed opgevoed door onze Mokka. Worden desnoods gratis thuisbezorgd. Foto binnenkort op de website.
