Een uitgave van mats bv ©

BEZOEK

Jaargang X, 34

Zondagmiddag op bezoek bij mijn moeder. Gisteren heb ik nog geprobeerd mijn komst aan te kondigen, maar dat lukte niet, ze kon me niet verstaan, slechte lijn zeker. Geeft ook niet, want ze is toch thuis; ze woont ondanks haar zeer gezegende leeftijd nog min of meer zelfstandig maar komt het huis niet meer uit. Zelfs niet voor de kapper. Maar ik had willen vragen of ze nog iets van boodschappen nodig had. De zus die dat normaal gesproken wekelijks voor haar doet, is op vakantie en er staan weliswaar een paar lieve nichten klaar om die taak tijdelijk over te nemen, maar je kan toch zomaar opeens verlegen zitten om een pakje boter. Zonder boodschappenlijstje wordt het een beetje willekeurig boodschappen doen. Koekjes heeft ze altijd wel in huis, maar die ik koop, lusten we allebei. Gestoofde peertjes, kant en klaar, zal geen zus voor haar aanschaffen, maar vind ze vast lekker. En pizza’s, niet omdat ze deze week in de aanbieding zijn, maar omdat ik zeker weet dat ze daar dol op is. Mijn zussen en ik hebben met elkaar afgesproken dat er elke zondag iemand van ons gaat; voor de gezelligheid en om eens lekker te koken. Ze zegt dat ze nog elke dag voor zichzelf kookt en anders zou ze ook gebruik kunnen maken van tafeltje-dek-je, maar ze heeft van horen zeggen dat dat niet altijd even smakelijk is. Jazeker, de eigenwijsheid zit bij ons in de familie. Dan is het best lekker, denken wij, als er tenminste een keer in de week voor je gekookt wordt. Mijn zussen, die allemaal heerlijk kunnen koken, trekken dat natuurlijk op hun fatsoen, met vitaminen en zo, maar ik heb daar van het begin af aan niet schijnheilig over gedaan. Ik kom voor de gezelligheid en tussendoor warm ik een kant-en-klare maaltijd op.

‘Goh jongen, jou had ik nou helemaal niet verwacht,’ zegt ze als ze uiteindelijk de deur opendoet. Ik stond al op het punt om achterom te gaan. Ik ben alleen, want de kinderen, hoe lief ook als ze bij oma zijn, zijn haar te druk. Jammer voor iedereen, maar dat accepteren we.

‘Ben je nou dat hele eind speciaal komen rijden?’

Toevallig moet ik morgen in de buurt van haar woonplaats zijn voor een klus, dus dat komt eigenlijk mooi uit. Dat leg ik uit en dat is goed.

‘Wat heb je weer allemaal meegebracht. Pizza! Daar ben ik gek op en dat krijg ik natuurlijk nooit. En wat is dit?’

‘Gestoofde peertjes, ik dacht dat je dat wel lekker zou vinden.’

‘O.’

We drinken gezellig een kopje koffie, iets te sterk misschien, maar zo heb ik hem graag. Helaas niet met de koekjes die ik zelf heb meegebracht. We nemen genoeglijk de verhalen uit mijn jeugd allemaal weer eens door en constateren dat het toch jammer is dat mijn vader niet meer mag meemaken hoe goed we allemaal terecht zijn gekomen.

‘Ik heb natuurlijk niets te eten in huis, jongen,’ maakt ze zich dan toch weer zorgen.

‘Maar ik heb pizza meegenomen voor ons alletwee. Je kleinzoon was nog jaloers dat wij pizza gingen eten en dat hij boontjes kreeg.’

‘O lekker, daar ben ik gek op. We moeten misschien maar niet te laat eten, want je moet nog dat hele eind terug.’ Ik leg uit dat ik morgen in de buurt moet zijn en dus ergens in een hotel overnacht en dat dat dus eigenlijk mooi uitkomt.

We staan wat te hannesen met de oven, waarvan alle lettertjes door het vele schoonmaken inmiddels zijn afgesleten, maar hij is elektrisch dus hij kan niet ontploffen en we krijgen de pizza uiteindelijk toch warm. Misschien zelfs iets té, maar als ik hem voor haar ik stukken heb gesneden, smaakt hij haar prima. Als dessert nemen we kwark en voor de gestoofde peertjes moet het ergste worden gevreesd.

Tenslotte kijken we samen gezellig naar Studio Sport, waar ze lustig doorheen kwebbelt.

En dan is het alweer tijd om op te stappen.

‘Ja, ga maar jongen en ben vooral een beetje voorzichtig. Het is toch altijd weer een heel eind.’

We hebben het, denk ik, allebei weer heel gezellig gehad. Ik hoop eigenlijk dat ik nog vaak dat hele eind moet rijden op zondagmiddag.

En volgende keer neem ik in elk geval gewoon wéér pizza mee.