Een uitgave van mats bv ©

BIOLOGIE

Jaargang XII, 38

En opeens heb ik een dochter op het gymnasium. Dan valt het voorwaar niet mee om als vader overdag nog een beetje bescheiden te blijven. Misschien mag ik hier, in mijn eigen kroniek, tegenover mijn lezers die me inmiddels allemaal een beetje kennen, voor een keer gewoon ongegeneerd opscheppen. Ik mag graag denken dat ik, als ik had mogen kiezen, precies deze dochter had uitgekozen. Knap, lief en hersens. En dat is nog niet eens het enige dat ze met haar moeder gemeen heeft. Net als mijn vrouw heeft ze een enorme plichtsgetrouwheid. Ze wil ’s morgens best vijf minuten wachten op haar vriendinnen die langs ons huis moeten fietsen om de school te bereiken en ook nog wel tien minuten, maar als ze dan nog niet zijn komen opdagen, gaat ze. Ze wil koste wat kost niet te laat komen. Bij haar eerste middelbare schoolgriep laat ze zich met de grootste moeite overhalen om een half dagje in bed te blijven maar staat ze de volgende dag alweer bibberend van ellende op haar vriendinnen te wachten. Aan de serie SMS-sjes en telefoontjes gedurende die dag weet ik dat het met de vorming van haar sociale netwerk ook wel goed zit. Haar huiswerk maakt ze zonder aansporing, voor toetsen en proefwerken draait ze haar hand niet om. Slechts hier en daar herken ik iets van mijn eigen genen, bijvoorbeeld als ik haar met wiskunde zie worstelen.

Natuurlijk weet ik wel dat het allemaal biologie is. Vanaf het moment dat ik haar voor het eerst vasthield, dat ze voor het eerst naar me keek, wist ik dat zij mijn dierbare verantwoordelijkheid was. En dat is het probleem ook helemaal niet. Met het grootste gemak zal ik iedereen de strot afbijten die haar ook maar een haar krenkt. Het probleem is de volgende fase die zich nu aandient. Stukje bij beetje loslaten. Eerst alleen naar de stad fietsen en vervolgens al naar een nieuwe schoolvriendin die in een dorp verderop woont.

‘Vind jij dat goed?’ vraag ik verbaasd aan mijn vrouw.

‘Ik denk dat we daar langzaamaan moeten wennen,’ zegt die.

‘Voor het donker thuis,’ besluit ik dan maar.

En dan belt het eerste jongetje om haar uit te nodigen voor haar eerste feestje op een andere school.

Helaas kennen we dat jongetje. Mankeert helemaal niks aan, maar ik weet al wat zijn vader doet, dus dat kan ik niet leuk rollenpatroonbevestigend aan hem vragen.

‘Jij fietst met ze mee,’ zegt mijn vrouw, die alleen maar vóór het donker stoer is.

Maar dat is zelfs mij te gortig. Na uitvoerig overleg met de ouders van de jongen regelt mijn vrouw dat diens grote zus hem wegbrengt en zijn vader hen op de fiets afhaalt en terugbezorgt. Het is voor ons allemaal nog even wennen.

‘Ik hou jou verantwoordelijk mannetje,’ brom ik tegen het jongetje als hij haar komt afhalen.

‘Ja,’ antwoordt hij alsof hij op de opmerking gerekend heeft.

Als ze keurig op tijd weer veilig thuis op de bank tussen ons in zit, krijgen we om beurten een hele dikke knuffel als we vragen of het gezellig was.

Blijkbaar doen we het voorlopig nog even goed.