Een uitgave van mats bv ©
BLIJVEN OEFENEN
Jaargang X, 11
Na jaren van creatieve armoede en woestenij, heb ik weer gitaarles. Elektrische gitaar natuurlijk, want zolang het nog niet goed is, kan het in elk geval hard.
Natuurlijk is dat best een beetje belachelijk voor een man van mijn leeftijd en zeker heeft dat ook heel erg met de midlifecrisis te maken, maar ik had ook een Harley Davidson motorfiets kunnen aanschaffen en dat is een stuk gevaarlijker. En behalve de gitaar doe ik er niemand kwaad mee omdat ik bij voorkeur oefen als niemand thuis is.
Mijn leraar is een bijzonder mens. Net als mijn gehele gezin en vele gitaarleraren vóór hem, moet hij soms twijfelen aan mijn talent. Hij laat het niet merken en benadrukt mijn wilskracht en hardnekkigheid. Blijmoedig luistert hij wekelijks naar mijn eigen interpretatie van de oefenstof, beweert glashard dat ik erg vooruit ga en doet het dan nog één keer voor. Een koppig mens is het ook. Ik heb de indruk dat hij zich heeft vastgebeten in mij, zijn grootste uitdaging tot nu toe, en dat hij niet zal rusten voordat hij mij een redelijk repertoire eenvoudige songs voor bij het kampvuur heeft bijgebracht.
Aan mijn gezin heb ik niets. Normaal zijn ze hun pantoffels en het huis niet uit te branden, maar als ik naar mijn gitaar grijp, moeten opeens de kippen gevoerd of een boodschap gedaan aan het andere eind van het dorp. Alleen mijn zoon, die weet wat het wil zeggen om elke dag te moeten oefenen, kan er wel respect voor opbrengen dat ik dat elke dag vrijwillig doe. Hij en ik houden naar elkaar toe ook de illusie levend dat wij ooit samen zullen optreden voor de rest van het gezin en dat we ze dan met stomheid zullen slaan en niet alleen omdat we zo hard spelen. De laatste tijd hoor ik hem niet meer zo vaak over dat plan en dat heeft vast te maken met zijn vorderingen op de piano. Zijn juf is natuurlijk niet veel beter dan mijn leraar, maar waarschijnlijk heeft zij een meer getalenteerde leerling. Als ik zijn kleine vingertjes een horlepiep zie dansen op het toetsenbord en ik kijk vervolgens hoe mijn eigen stramme vingers in de war raken met de vlijmscherpe snaren van mijn gitaar, zakt me de moed wel eens in de schoenen.
Maar ik heb volgehouden en in het diepste geheim een daverende verrassing voorbereid. Ik heb in zijn pianoboek een lied gevonden dat daar ‘Zonsopgang’ heet en dat wij kennen als ‘Morning has broken’ van de reclame voor het Wereld Natuurfonds op de televisie. Mijn leraar heeft daar een buitengewoon eenvoudig accoordenschema bij verzonnen en dat heb ik enkele maanden geoefend. Met een blik waarin ik tegelijkertijd blijde verwachting en hoopvol ongeloof lees, schuift mijn zoon zijn kruk naar de piano voor onze eerste gezamenlijke repetitie. Een paar noten later heeft die blik plaatsgemaakt voor plaatsvervangende teleurstelling voor mij.
‘Nou papa, eerlijk gezegd vind ik het nog niet zo heel goed klinken. Misschien moet je nog eens vragen of je het zo wel helemaal goed doet. Ja, sorry hoor, maar ik heb ook heel lang moeten oefenen voordat ik zo goed was.’
Achter de gesloten deur van de kamer hoor ik mijn vrouw en dochter discreet wegschuifelen.
