Een uitgave van mats bv ©

COMPETITIE

Jaargang IX, 28

Er belt een mevrouw namens de tennisclub. Of onze dochter misschien kan invallen in een wedstrijd voor de regionale competitie. De vraag overvalt me en ik schiet hevig in de aarzeling. Ik zit regelmatig langs de kant als mijn dochter tennist - één keer in de vier weken heb ik taxidienst - en ik ben dus aardig op de hoogte van haar vaardigheden en kwaliteiten. En als ik heel eerlijk ben, schat ik die nog niet op competitie-niveau in. Ze doet natuurlijk heel erg haar best en er gaat dus ook wel eens een bal over het net, maar ik heb bijvoorbeeld niet de indruk dat ze weet hoe de puntentelling precies gaat en de service is nog echt wel een brug te ver. Daar staat tegenover dat het tennispakje haar heel kek staat en - het allerbelangrijkste - dat ze dikke pret heeft met haar vriendjes en vriendinnetjes van school die op dezelfde tennisclub zitten. En dat is nog wel de belangrijkste reden van mijn aarzeling. Als ze een wedstrijd gaat spelen en ze wordt genadeloos ingemaakt, dan zou ze het plezier in het spel wel eens kunnen verliezen. En omdat onze dochter nou eenmaal graag afmaakt waar ze aan begonnen is, zou dat wel eens kunnen betekenen, dat ze voortaan tegen heug en meug moet tennissen.

Dat schiet allemaal door mijn hoofd, maar ik wil er de mevrouw aan de telefoon niet mee lastig vallen, want die heeft een probleem in haar team en wil eigenlijk alleen maar 'ja' als antwoord.

'Het is maar voor de regionale onderlinge competitie, hoor,' probeert ze me nog te overtuigen.

'Weet je wat,' zeg ik laf, 'ik geef je even aan mijn vrouw, die heeft een beter overzicht over haar agenda.' Ik geef de telefoon door aan mijn vrouw met een blik van verstandhouding waaruit zou moeten blijken dat ik ten prooi ben aan hevige twijfel en dat ik het eigenlijk niet zo'n goed idee vind omdat ik het wat te hoog gegrepen vind. Jazeker, als je twaalf-en-een-half jaar getrouwd bent, kun je al die emoties in één blik van verstandhouding leggen.

'O, maar ik weet zeker dat ze dat hartstikke leuk vindt,' reageert mijn vrouw enthousiast. 'Ik zal nog even met haar overleggen, maar reken maar vast op ons.'

En inderdaad is mijn dochter apetrots dat ze gevraagd is. Ze vindt het wel heel spannend, maar ze doet graag mee. En trouwens, mijn vrouw rijdt het team voor de uitwedstrijd naar de tennisbaan aan de andere kant van de stad, dus ze heeft tenminste één supporter op vreemd terrein.

En ik? Ik zeg al niks meer, ik ben gewoon stiekem trots op mijn twee stoere meiden.

'Hoe ging het,' vraag ik als ze terugkomen, maar ik kan het eigenlijk al zien. Leuk is het geweest, heel leuk. Misschien nog wel leuker dan paardrijden. En volgende keer gaat ze zeker weer mee als ze haar vragen.

Wel alles verloren.