Een uitgave van mats bv ©
CRICKET
Jaargang IX, 18
'Zeg jongen,' begint mijn echtgenote onverhoeds tegen haar zoon, 'zou jij niet op cricket willen?'
We zijn gisteravond gezellig uit wezen eten met een bevriend echtpaar waarvan de helft oorspronkelijk Engels is. We hebben natuurlijk over van alles en nog wat gepraat en we hebben het inderdaad ook even over cricket gehad. Er schijnt bij ons in de stad een club te zijn opgericht, die nog jeugdleden zoekt. Hij vond dat als Engelsman wel grappig en ik geloof dat er ook nog een goede grap is gemaakt over de prestaties van het Nederlandse team op de wereldkampioenschappen in Zuid-afrika. Verder is er niet veel aandacht aan besteed en ik was het eigenlijk alweer vergeten, mede omdat het ook nogal laat is geworden. Mijn vrouw blijft me - gelukkig maar - verrassen.
'Cricket,' vraag de jongen voorzichtig, 'wat is dat?'
Dat doet hij slim. Als hij meteen nee zegt, weet zijn moeder het beter gemaakt: 'Goed, dan ga je op voetballen.' Of erger nog: 'Dan geef ik je op voor hockey.' Want het is een uitgemaakte zaak dat onze zoon een teamsport gaat doen. Dat is namelijk niet alleen leuk en goed voor lijf en leden en gewicht, maar ook voor sociale contacten en vaardigheden. Schijnt, want ik spreek niet uit ervaring. Bovendien zit de ene helft van zijn klas op voetballen en de andere helft op hockey, dus dat is ook nog eens beregezellig.
Wij spitsen allemaal de oren, want mamma gaat nu uitleggen wat cricket is. 'Eh... dan sta je daar met een slaghout.' Dat doet ze slim, want staan is beter dan hollen in de optiek van de zoon. 'En dan gooit iemand een bal, eh.. en er is nog een poortje. En er zijn in elk geval twee teams.'
'Ja,' vul ik enthousiast aan, 'en dan krijg je zo'n leuk spencertje aan.' Ik ben nog van de generatie, ben ik bang, dat spencertjes het toppunt van oubollig waren, maar ik moet toegeven dat het witte tennis-spencertje de zoon heel kek staat.
'En pappa en mamma zitten op het terras biertjes te drinken en aardbeien met slagroom te eten, want zo'n wedstrijd duurt makkelijk een hele middag.'
Eén blik is voldoende om mij de mond te snoeren. 'Zullen we gewoon eens gaan kijken? Dan kun je zien of het je wat lijkt.'
Hij aarzelt hevig en kijkt mij aan voor morele steun. Van mij hoeft die jongen echt niet op cricket, maar ik hou mijn mond want mijn huwelijk is me lief en ik vind natuurlijk ook dat hij wat meer aan sport mag doen. Af en toe een robbertje knokken met zijn vader, een stukje fietsen voor boodschappen of een kort partijtje basketbal op het plaatsje is waarschijnlijk niet voldoende. En mijn pogingen om hem over te halen te gaan voetballen zijn steeds op niets uitgelopen. Ik kijk zo neutraal mogelijk.
'Nee,' zegt hij tenslotte, 'ik wil niet op cricket...'
'Goed,' begint mijn vrouw, 'dan ga je...'
'...ik ga op waterpolo!'
Wij spitsen allemaal de oren.
