Een uitgave van mats bv ©
DAGSLUITING
Jaargang VII, 30
'Pappa moet jij morgen naar je werk?' Het is bedtijd en mijn zoon en ik bespreken de dingen van de afgelopen dag.
'Nee, want morgen is het weekend.'
'En overmorgen?'
'Dan is het ook nog weekend.'
'En dan?'
'Dan ga ik weer werken en dan ga jij naar school.'
'Weet je wat leuk zou zijn, pappa?'
'Nou?'
'Dat je geboren werd en je was nog een baby en dat je dan alles al wist. Dan hoefde je nooit meer naar school.'
In tegenstelling tot zijn zus, ziet mijn zoon school als een noodzakelijk kwaad. Zij huppelt elke ochtend schoolwaarts en gaat zelfs harder huppelen naarmate ze dichterbij komt, als een paard dat de haver ruikt. Zij kan 's avonds bij de nachtkus altijd wel iets verzinnen wat ze die dag geleerd heeft, hij herinnert zich hooguit wat hij met vriendjes heeft uitgespookt. Wat zich in mij combineert, is over mijn kinderen uitgesmeerd: gemakzucht en leergierigheid. Hoewel het natuurlijk niet zo zwart-wit ligt. Want als er geholpen moet worden bij een klus of karweitje is hij altijd wel te porren en huppelt zij over het algemeen vrolijk en vriendelijk en onopvallend uit beeld.
Terwijl zij leert omdat er geleerd moet worden en het dan ook nog leuk vindt, heeft hij duidelijk behoefte aan meer motivatie. Als ik zeg dat het wel eens tijd wordt dat hij gaat lezen, omdat zijn zus dat al lang kon toen ze zo oud was als hij nu, dan leest hij ijskoud een woord van de televisie. Alsof hij wil zeggen dat lezen nou ook weer niet zo ingewikkeld is. Zo kon hij ook opeens fietsen omdat ik hem te kinderachtig vond voor het stoeltje achterop. En zwemmen omdat zijn zus anders alleen een diploma dreigde te halen. Waar we bij zijn zus geduldig de letters, het sturen en remmen en de schoolslag oefenen, maken we bij hem blijkbaar meer gebruik van de negatieve stimulans.
Ho, ho, niet doordraven nu, dat leidt alleen maar tot het tweede-kind-krijgt-minder-aandacht schuldcomplex, en daar waren we al een paar jaar overheen.
'Dan zou het ook wel handig zijn als je meteen een heleboel geld had, zodat je nooit meer hoefde te werken,' fantaseer ik met hem mee.
'Heb jij niet genoeg geld, pappa?'
'Nooit genoeg, jongen.'
We overpeinzen de wenselijkheid van onze fantasie.
'Dan had je ook geen vriendjes van school.'
'En jij ook niet van je werk.'
'Dan moest je de hele dag met mamma en Elma en mij en Assepoes spelen, want je kunt natuurlijk niet de hele dag televisie kijken en op de computer spelen.'
Voor dit soort praatjes wordt mijn zoon te oud, merk ik. Hij kan zijn dagen heel wel vullen met televisie en computer, maar dat mag gewoon niet van ons.
Hij wil de dagsluiting echter vriendelijk houden en beperkt zijn commentaar tot het eerste gedeelte van mijn redenering.
'Maar wij zijn toch allemaal vrienden van dik en dun?
