Een uitgave van mats bv ©
DE OVERKANT
Jaargang XII, 8
Mijn moeder wil niet naar een bejaardentehuis, of beter gezegd: ‘Daar kan ik altijd nog naar toe als het niet meer gaat, jongen.’ Ik vermoed dat ze het rond haar honderdste serieus gaat overwegen. In nauw overleg met mijn zussen, geef ik haar daarin gelijk. Onze strategie is om haar zo lang mogelijk in haar eigen huis te laten wonen en zoveel mogelijk hulp-instanties en zorginstellingen in te schakelen om dat mogelijk te maken. Wij gaan dan om beurten in het weekend op visite om haar gezelschap te houden, om in het geval van mijn zussen eens lekker voor haar te koken en in mijn geval om een pizza voor haar in de oven te doen. De zus die in de buurt woont, doet boodschappen en houdt tussendoor een oogje in het zeil en de schoondochter van de achterbuurvrouw komt ook nog eens af en toe langs.
Wij hielden elkaar voor dat het zo tot het eind zou blijven. En dat het heel langzaam allemaal een beetje minder werd, wilden we niet zo heel duidelijk zien.
Het maakt ons niet uit om achterom te lopen omdat ze de bel van de voordeur niet hoort en als ik opbel om aan te kondigen dat ik er aan kom, is het eerlijk gezegd altijd lachen. De buren aan de overkant van de straat weten precies hoe laat ik bij haar zal aankomen, maar mijn moeder hoort het niet ‘omdat de telefoon niet meer helemaal in orde is.’ En elke keer dezelfde verhalen horen is toch zoiets als steeds opnieuw in het fotoalbum van je jeugd bladeren.
Natuurlijk is mijn moeder stronteigenwijs, maar daar hebben wij van thuis uit allemaal het nodige van meegekregen, dus daar kunnen we begrip voor opbrengen. Als ze geen gebruik van ‘tafeltje-dek-je’ wil maken, omdat de huisarts ooit eens gezegd zou hebben dat dat ook niet altijd even lekker is, moet ze dat zelf weten. We voeden haar in het weekend desnoods bij. Ik denk ook dat ze het naar haar zin heeft in dat grote huis. Ze leest graag en wordt door mijn zus voortdurend van nieuwe boeken voorzien. En bovendien heeft ze wel zoveel zelfkennis dat ze weet dat ze de boeken in de kast rustig nog eens kan lezen omdat haar geheugen haar toch wel flink in de steek laat tegenwoordig. Elke avond komt de achterbuurvrouw bridgen. Volkomen ondoorgrondelijk hoe ze dat spel voor vier mensen met z’n tweeën spelen, maar ze doen het al jaren zo naar wederzijdse tevredenheid. Jammer alleen, vindt mijn moeder, dat buurvrouw steeds meer vergeet, terwijl ze toch acht jaar jonger is dan zij zelf.
Maar de laatste keer dat ik bij haar was, ging het niet goed. Ze had zo’n pijn in haar rug dat ze nauwelijks meer kon lopen. Verontwaardigd vertelde ze dat de mevrouw van de thuiszorg een rollator had voorgesteld.
‘Ik ga toch niet met zo’n stom karretje lopen, jongen.’
‘Natuurlijk ga je met zo’n karretje lopen als het niet anders kan. Niemand ziet je en straks kan je helemaal niet meer lopen.’
‘Ik red me nog uitstekend.’ En om dat te demonstreren loopt ze even met een van pijn vertrokken gezicht als een kievit door de kamer. We worden het na moeizame onderhandelingen erover eens dat ze een rollator zal nemen als de dokter zegt dat ze die nodig heeft.
Maar ze heeft zelf in de gaten dat het niet goed gaat.
‘Als ik zo ben als ik nu ben, hoeven ze me aan de overkant ook niet meer.’ Aan de overkant is het bejaardentehuis waar ze naar toe wil ‘als het nodig is.’ Als ik vraag of ik nog boodschappen moet halen, denkt ze dat dat niet handig is, omdat ze misschien wel naar het ziekenhuis moet.
De zus die het weekend na mij bij haar op visite gaat, komt niet veel optimistischer bij haar vandaan dan ik. En een week later belt een andere zus als ik bij het koelvak van de supermarkt sta. De achterbuurvrouw, acht jaar jonger, is naar een verzorgingstehuis gebracht. Mijn moeder kan haar bed niet meer uit en dus niet meer voor zichzelf zorgen. Of ik het er mee eens ben dat ze voorlopig een paar weken naar de overkant gaat, naar een logeerkamer.
‘Wat vindt ze zelf?’ vraag ik toch nog.
‘Ze lijkt het er wel mee eens,’ denkt de zus, ‘ze ziet ook wel dat het zo niet kan.’
En nu is ze dus uit haar huis weg, tussen haar spullen uit. Binnenkort ga ik zonder pizza bij haar op visite en dan zullen we het er over moeten hebben hoe het moet als ze straks niet terug kan naar de overkant.
