Een uitgave van mats bv ©

DE VOORSTELLING

Jaargang VIII, 20

Wij willen heus niet de cultuurbarbaren uithangen, maar wij lopen de theaters nou niet bepaald plat. Eerlijk gezegd komen wij doorgaans maar een keer per jaar in het theater en dat is tijdens de jaarlijkse voorstelling van de balletschool van mijn dochter.

'Jullie hadden gezegd dat ik niet mee hoefde,' brult onze zoon als hem duidelijk wordt wat hij op zijn vrije zaterdagmiddag gaat doen. Sterker nog: 'Nee hoor, ik ga niet mee.' Armen over elkaar, boze frons tussen de wenkbrauwen: de klassieke weigerhouding.

‘Nou niet flauw doen. We zijn allemaal heel trots op je zus en we gaan natuurlijk allemaal kijken. Als jij later een beroemde pianist bent en je geeft een recital in het Concertgebouw, dan komen wij ook allemaal.'

'Ik geeft helemaal geen rie.., rie.., dat geeft ik helemaal niet en ik ga toch niet mee.'

Dat wij hem op pianoles sturen is nog wel het beste bewijs dat het wij het goed menen met kunst en cultuur, hoewel nog maar moet blijken of wij de kunst daar een plezier mee doen. Hij mocht trouwens kiezen, pianoles of paardrijden en hij koos pianoles, dus we hebben waarschijnlijk wel een paard een plezier gedaan. Om het helemaal ingewikkeld te maken, heeft onze dochter aangegeven dat ze wel op paardrijles wil. Daar ben ik het overigens niet mee eens omdat ze van ballet van die mooie rechte benen krijgt en van paardrijden volgens mij niet. Hetgeen mijn vrouw natuurlijk uitgesproken flauwekul vindt, maar die heeft dan ook nooit paardgereden en ik wel; trouwens ook niet lang genoeg om kromme benen te krijgen.

Duidelijk is in elk geval dat als wij de schone kunsten, sport en spel op dezelfde voet aan onze kinderen willen blijven aanbieden, een van ons minder zal moeten gaan werken om alle taxidiensten te draaien. Tegelijkertijd zullen we dan een pinautomaat in de tuin moeten planten om de kosten enigszins te dragen.

'Ik klap alleen voor mijn zus,' zegt onzer zoon duidelijk verstaanbaar voor de hele zaal als we uiteindelijk een plaatsje bemachtigd hebben. Maar als de voorstelling eenmaal goed op gang is, blijkt hij het sprookje dat wordt gespeeld veel beter te begrijpen dan wij.

'Ik vond vooral die trollen erg leuk.'

'Dat waren geen trollen, dat waren boswezens,' corrigeert zijn zus.

'Ja, ik vond die bostrollen het leukst.'

Wellicht onnodig te vertellen dat onze dochter kabouter en boskat danste, maar geen trol.

Hoewel het licht uitgaat en mijn dochter natuurlijk niet in elke scène voorkomt, ben ik ook de hele voorstelling wakker gebleven. Vanzelfsprekend heb ik ook voor alle andere kinderen geklapt, maar opvallend veel harder voor haar. Dat is in zo'n zaal helemaal niet ongebruikelijk. Er zijn zelfs ouders die naar hun dansende kinderen zwaaien en roepen, wat regelmatig botsingen oplevert op het toneel. Vooral de ouders van de allerkleinsten, die voor het eerste jaar komen, doen dat.

Volgend jaar gaan we gewoon weer en dan is ze waarschijnlijk nóg beter geworden.