Een uitgave van mats bv ©
DIKKERDJE
Jaargang VIII, 24
We doen boodschappen, zoals eigenlijk altijd op zaterdag. We zijn al naar de dierenwinkel geweest voor kippenvoer en nu parkeren we de auto tegenover de slager. De kinderen zijn in een vrolijke bui en dat kan goed gaan of misgaan. We houden het gezellig of we slaan door. Ik streef altijd naar het eerste.
In de tuin van het huis waar we voor parkeren ligt een stevige zwarte poes op een muurtje een dutje te doen in een vriendelijk zonnetje.
'Dat is pas een vetzak,' zegt vrolijke zoon tegen zijn melige zusje. Lachen, gieren, brullen.
'Let een beetje op je woorden. Dat noemen wij een dikkerdje.'
Misschien had ik beter mijn mond kunnen houden, want van het woord 'dikkerdje' stuiteren ze allebei van de slappe lach over de stoep.
Nou zijn er natuurlijk heel wat erger woorden dan 'vetzak', mijn zoon kent die woorden ook allemaal, en bovendien komt de zwarte poes nog heel goed weg met deze typering, maar ik vind toch dat ik er elke keer, en dus ook nu weer, wat van moet zeggen. Op een of andere manier zal zijn taalgebruik toch gekuist moeten worden. De methode van mijn moeder, de mond uitwassen met zeep, heeft tenslotte ook niet gewerkt.
Bovendien heeft hij blijkbaar niet gezien dat een stukje verder in de tuin een klein meisje aan het spelen is die vast heel dol is op deze vetz.., pardon: op dit dikkerdje en die niet zit te wachten op kleine jongetjes die haar moortje komen uitlachen.
'Pappa, pappa!' Mijn dochter wil ook iets zeggen en ik zie al aan haar ogen dat het heel grappig gaat worden, maar zij ziet gelukkig aan mijn ogen dat ik het nu even niet hoef te horen.
'O nee,' corrigeert ze zichzelf, 'dat mag ik pas zeggen als ik groot ben.' Hoe ze erbij komen dat je bepaalde woorden wel mag zeggen als je groot bent, is mij een raadsel. Mijn vrouw wast me weliswaar niet meer de mond met zeep, maar let nog wel erg op mijn woorden. Het brengt mijn dochter gelukkig wel even op andere gedachten.
'Wanneer ben ik eigenlijk echt groot?'
'Over een jaar of 10,' zeg ik achteloos, ook blij met de verandering van onderwerp.
'Nee hoor, over 11 jaar, dan ben ik 18 en dan ben ik volwassen.'
'Ja maar als jij 17 bent mag je van mij trouwen en het huis uit. Opgeruimd staat netjes,' zeg ik hartelijk.
'Zo snel al? Hoi, hoi. Kan ik dan ook al moeder worden?'
We stappen de overvolle slagerij binnen en het lijkt me verstandiger dat we dit gesprek op een later, veel later tijdstip voortzetten.
Straks ga ik nog dingen beloven die ik later nooit waar kan maken.
