Een uitgave van mats bv ©
DOKTER
Jaargang X, 43
Er is een nicht afgestudeerd als dokter. Nou ja áfgestudeerd, ze moet nog een jaar of tien doorstuderen om zich te specialiseren, heb ik me laten uitleggen, maar ze mag zich vanaf nu dokter noemen. Voorwaar een mijlpaal. En dus wordt er koffie en een borrel geschonken en wij zijn uitgenodigd. We zijn maar met z’n drieën omdat mijn vrouw na haar hernia-operatie nog niet zo lang in de auto kan zitten.
Omdat ik bij ons thuis de jongste ben en qua vaste verkering, huwelijk en kinderen bovendien een late roeping, zit er bijna een generatie verschil tussen de kinderen van mijn zussen en die van ons, maar nou ook weer niet zoveel dat mijn zussen al oma’s zijn, hoewel ook sommige van mijn neven en nichten late roepingen zijn op dat gebied. Daarom zijn er meestal geen leeftijdsgenootjes om mee te spelen op dit soort bijeenkomsten, maar de taart en limonade en het feit dat oma er ook is, maken veel goed. Bovendien hebben ze allebei voor hun herfstrapport een boek gekregen en dat hebben ze meegenomen. Dus na de taart, de limonade en een paar goede gesprekken met tantes en neven en nichten, gaan ze lief een boekje lezen en hebben we verder geen kind meer aan ze.
Dat brengt mij dan weer in de ongemakkelijke situatie dat ik steeds maar weer moet uitleggen dat het er ook wel eens anders aan toegaat, als iedereen opmerkt dat ze toch wel altijd erg lief zijn. Een onnatuurlijke situatie voor een vader; normaal moet je uitleggen dat ze nu weliswaar buitengewoon vervelend zijn, maar anders eigenlijk altijd heel lief.
Welnu, de middag kabbelt zo’n beetje door, het is heel gezellig, maar we hebben de moeder van het feestvarken, mijn jongste zus, eigenlijk nog niet fatsoenlijk gesproken. Natuurlijk zijn we wel in de keuken geweest, vanwaar een voortdurende stroom van hapjes komt, maar daar krijgen we eigenlijk alleen te horen dat we echt niet kunnen helpen. Pas tegen het eind van de middag, als de warme happen ook op de buffet-tafel staan, komt ze even naast me zitten.
‘Én zus,´ zeg ik, ´trots zeker?´
`Och,´ zegt ze, een beetje aarzelend, een beetje schuldbewust, ´ik weet eigenlijk niet. Ze kan goed leren en ze heeft haar best gedaan, daar ben ik natuurlijk blij om, maar ik weet niet of trots het goede woord is.´
Daar snap ik nou helemaal niks van. Wij zijn toch uit hetzelfde nest en bovendien heb ik vroeger het meest opgetrokken met mijn jongste zus, dus dan moet je toch een beetje op elkaar lijken. Nou, als een van die van mij het later tot dokter schopt, dan zal mijn vrouw mij toch moeten tegenhouden om geen pagina-grote advertentie in de landelijke dagbladen te zetten. Dat zal ze dan overigens ook wel doen.
Vervolgens hangt mijn zus nog een verhaal op over haar zoon, die niet zo´n studiehoofd is, maar die ze buitengewoon respecteert om zijn karakter en prettig-mens-zijn.
Ja, ja, dat snap ik allemaal wel, en dat is zeker net zo belangrijk, maar tóch.
´Alhoewel,’ peinst mijn zus voor zich uit, ‘toen ik vanmorgen terugreed van mijn werk, zag ik opeens in de achteruitkijkspiegel een vreemde grijns op mijn gezicht.
‘Zie je wel,’ zeg ik, helemaal opgelucht, ‘dat was trots. Je bent dus toch niet van de melkboer.’
