Een uitgave van mats bv ©
ELVIS
Jaargang XII, 10
De zoon en ik kijken naar de finale van Idols. Mijn dochter is naar een klassenfeestje waar ze met z’n allen zullen kijken, dus die is in gedachten bij ons. Mijn vrouw is wel bij ons, maar niet met haar gedachten. Zij ligt heel diep na te denken op de bank. Zij verontschuldigt zich wel eens voor haar zware oogleden, maar dat is nergens voor nodig. Zo langzamerhand heeft het wel wat huiselijks om haar erbij te hebben en toch weer niet. Af en toe veert ze dan op en maakt ze een opmerking om net te doen alsof ze het allemaal heus wel gevolgd heeft, maar daar trappen we niet in, ook al niet omdat die opmerkingen meestal nergens op slaan.
‘Mooi doelpunt zeg!’ Terwijl de verkeerde ploeg scoort en het dus per definitie geen mooi doelpunt kan zijn.
‘Wat een idiote jurk heeft dat kind aan.’ Terwijl het gaat om een zángwedstrijd.
Vroeger wijdden we nog wel eens een discussie aan wat we gingen zien op een tv-avond. Dat was voordat de kinderen het op zaterdagavond voor het zeggen kregen. Allemaal verspilde energie. Het beste zetten we het programma op wat zij wilde zien, even wachten, nog even wachten, nog even… en dan omschakelen maar.
Soms doen we wel eens wat ik vroeger bij ons thuis deed als mijn vader door de televisie heen lag te snurken in zijn luie stoel: heel hard hoesten en dan net doen alsof je neus bloedt. Is nog steeds leuk.
Hoewel we dus stoelen genoeg hebben, liggen mijn zoon en ik languit samen op de andere bank deskundig commentaar te geven op de kandidaten. De jongen kan niet wachten om zelf aan de audities mee te doen, dus het is belangrijk om goed op te letten.
Een van de finalisten zingt een nummer van Elvis; zijn portret wordt groot op de achtergrond geprojecteerd. Mijn zoon kent de man alleen van meebrullen in de auto en van horen zeggen, maar papa is fan.
‘Papa, wie vind jij er eigenlijk beter uitzien, jij of Elvis,’ vraagt het jong onverhoeds. Wat een gewetensvraag voor een doordeweekse zaterdag. Er gaan toch echt jaren voorbij dat ik niet vergeleken word met Elvis. Sterker nog, dit is de eerste keer. Zo op het eerste gezicht hebben Elvis en ik ook nauwelijks iets gemeen en zeker als men mij hoort zingen, worden we niet snel door elkaar gehaald. Bovendien is het een wel heel geflatteerd studioportret wat ze daar van de man laten zien.
‘Nou ik denk eerlijk gezegd dat Elvis er op deze foto een ietsiepietsie beter uitziet,’ zeg ik dan ook, mijns ondanks. Nederigheid is normaal niet mijn sterkste eigenschap, maar we zijn toch maar met zijn tweeën; nou ja, twee-en-een-halven.
´Vind ik niet hoor papa, jij bent een stuk knapper.´
Ondanks mijn ijdelheid trap ik hier natuurlijk niet in. Ik ben lang genoeg vader om het addertje onder het gras luid sissend van verre aan te horen komen. En daar is het korte grinnikje al dat de volgende gevatte opmerking inleidt.
´Papa, wie is er eigenlijk dikker, jij of Elvis?’
