Een uitgave van mats bv ©
ENGERDS
Jaargang XII, 27
‘Papa, ik ga even de stad in om een cadeautje voor Catootje te kopen.´
Ik ben net het gras aan het maaien, of beter gezegd, ik ben naar het stuk gras aan het kijken dat ik zojuist gemaaid heb. Nam net een hap van mijn pauze-appel, verslik me en blijf er bijkans in.
‘Pardon?’ kan ik nog net uitbrengen en dan volgt een vreselijke hoestbui. Dat is mijn opvoedkundige redding. Mijn eerste neiging zou zijn om haar toe te voegen: ‘Ben je nou helemaal van de pot gerukt?’ Of misschien beter en verantwoorder: ‘Ben jij even een haartje betoeterd?’ Helemaal verkeerd, zo’n primaire reactie, weet ik van deskundige tijdschriften, opvoedprogramma’s op TV en mijn vrouw, als ze flinker wil zijn dan ze feitelijk is.
Want, zo leren wij, welk signaal geeft mijn dochter hier eigenlijk af?
‘Papa, ik word zo langzamerhand groot. Ik wil je best nog wel af en toe een handje geven als we wandelen, maar niet meer de hele tijd aan je hand lopen. Ik ga na de grote vakantie ook helemaal alleen naar middelbare school.’
Ik weet het, verantwoordelijkheid geven en daarmee zelfvertrouwen. Ze is er erg aan toe, even los van het feit dat ze ook gewoon een cadeautje moet hebben voor haar jarige vriendin en sowieso graag shopt.
De kwestie is alleen dat ik, zoals gebruikelijk, weer achter de feiten aanhol en nog niet zo ver ben.
‘Hoe wou je gaan?’ vraag ik en ik realiseer me dat ik daarmee eigenlijk impliciet toestemming geef.
‘Gewoon met de fiets natuurlijk.’
Dat maakt het er niet beter op. We hebben een hoge dunk van het schooltje dat ze zojuist heeft afgemaakt, maar verkeersles had daar naar mijn idee bepaald geen prioriteit. Neem daarbij het gegeven dat mijn dochter nogal dagdromerig is aangelegd en dan hoor ik bij wijze van spreken de sirenes al loeien.
‘Zul je heel goed uitkijken, schat? Gewoon wachten voor stoplichten, geen voorrang nemen, ook al heb je het eigenlijk wel, want auto’s winnen altijd. Niet met vreemde mannen meegaan en zo snel mogelijk weer naar huis.’
Ze staat me gewoon in mijn gezicht uit te lachen.
‘En sta niet zo stom te lachen, want ik ben je vader en ik ben gewoon bezorgd om je.’
‘Ik sta je heus niet uit te lachen, hoor papa. Het is juist hartstikke lief dat je je zo’n zorgen maakt.’
Dit kind wond haar vader al om haar vinger toen ze net drie minuten oud was en dat is er in de loop der jaren niet beter op geworden.
‘Maak nou maar dat je wegkomt, kleine aap,’ zeg ik hartelijk.
‘Trouwens papa, je moet maar denken, alle engerds zitten nu bij het zwembad.’
Het is inderdaad een prachtige dag om naar de stad te fietsen.
