Een uitgave van mats bv ©

ER AF

Jaargang XI, 4

Pianoles van de zoon is zo’n routine geworden dat we er eigenlijk niet meer zo op letten. Elke dag wordt hij er fijntjes aan herinnerd dat hij moet oefenen, óók theorie en notenlezen en op vrijdag na school breng ik hem dan meestal naar pianojuf, zet hem op de stoep af, doe even vlug de laatste weekendboodschappen in een naburig winkelcentrum en ga dan de laatste vijf à tien minuten van de les bij juf op de bank zitten en luisteren naar de vorderingen van de pianist. Daarna weer vlug naar huis waar het weekend dan kan beginnen.

Vandaag is alles anders. Als ik binnenkom, voel ik dat de sfeer gespannen is. Juf en mijn zoon hebben ruzie. Niet in de zin van ‘voortaan beter je huiswerk maken en oefenen’, veel ernstiger.

‘Accepteer nou eens van jezelf dat je verschrikkelijk slecht bent in notenlezen. Dat je altijd de notenkaart erbij moet pakken als je een nieuw stuk gaat instuderen. Want als ik er niet bij ben en er is bij jullie thuis blijkbaar niemand die dat in de gaten kan houden, studeer je de stukjes steeds op de verkeerde toonsoort in’.

Niet alleen mijn zoon krijgt een sneer, ook zijn argeloze vader krijgt een veeg uit de pan. Ik wist helemaal niet dat ik ook noten moest leren lezen. Je zou van zo’n pianojuf, gepensioneerd van muziekschool, toch wat meer opvoedkundig tact verwachten en zeker een andere toon tegen een jongetje van negen. We weten wel dat juf liever lieve meisjes opleidt tot concertpianiste, maar dit ondeugende jongetje mag toch wel een beetje verjaardagen-en-partijen-piano leren spelen.

Ik beheers me totdat we weer samen in de auto zitten.

‘Je mag inderdaad wel eens wat beter je best doen’, zeg ik, ‘dan heb je ook niet elke week dat gezeur aan je hoofd’. Waarschijnlijk de foute aanpak, want hij reageert helemaal niet. Pas twee straten verder heb ik in de gaten dat hij naast me zit te snikken. Ik ben een vaatdoek van een vader, want ik draai om als een blad aan de boom.

‘Nou, nou, zo erg is het toch allemaal niet. Ze ging wel heel erg tegen je te keer, hè?’

‘Ik wil er af’, snottert mijn zoon. ‘Het is veel te veel voor me. Ik zit op tennis en op hockey en ik moet huiswerk maken en dan ook nog elke dag een half uur piano-oefenen’.

De overheidscampagne ‘kinderen hebben het druk, druk, druk’ is aan hem wel besteed. Ik trap er bijna in, maar net op tijd realiseer ik me dat dat half uurtje piano spelen naadloos zal overgaan in een extra halfuurtje op de spelcomputer, waar op een of andere manier altijd tijd voor gevonden kan worden. Ik klets nog maar wat door zijn tranen heen. Dat hij het later zo leuk zal vinden dat hij kan spelen, kijk maar eens hoe graag papa gitaar zou kunnen spelen. Dat ik de zoon van een vriend heb meegemaakt, die ook zo’n juf had en wilde ophouden, maar die toen een andere leraar kreeg, die hem begreep, en die nu de sterren van de hemel speelt. Die leraar woon nota bene bij ons in de stad. Dat zouden we toch ook eens kunnen proberen.

‘Ik zal er nog eens over nadenken’, zegt de jongen, die de discussie wil sluiten.

Maar daar zijn we nog niet mee klaar. Dit is wel een opvoedkundige testcase. Enerzijds willen we dat hij leert doorzetten en volhouden, anderzijds heeft hij het inderdaad best druk en is piano ook maar een hobby.

Thuis ziet mijn vrouw natuurlijk onmiddellijk dat er onweer is. We leggen de situatie uit.

‘We hebben betaald tot einde schooljaar en zo lang blijf je er in elk geval opzitten’, stelt die plompverloren. Ik ben verbijsterd. Tijdens de hele rit naar huis heb ik alles aan opvoedkunde uit de kast gehaald en dan komt zij met zó’n argument. Ik heb natuurlijk ook gedacht aan de dure piano, die nutteloos wordt als hij stopt, maar dat is nu toch even niet het belangrijkste. Tot mijn stomme verbazing accepteert de jongen het argument echter onmiddellijk, terwijl hij bij al mijn verstandige opmerkingen is blijven tegensputteren.

‘Dat is goed’, zegt hij, ‘maar dan ga ik er af’.

‘Dat zien we dan wel weer’, reageert mijn vrouw nonchalant, maar ook daar komt ze mee weg.

‘Ik kom voortaan wel naast je zitten en helpen met oefenen’, besluit ik nog een positieve duit in het zakje te doen.

‘Daar verheug ik me nu al op!’ Ons notenkrakertje heeft zoals gebruikelijk het laatste woord.