Een uitgave van mats bv ©
ETNA
Jaargang XII, 32
Leuk eiland hoor, Sicilië. Lekkere pizza’s en pasta’s, mooi weer, lauwe Middellandse Zee, goudgele stranden en fijne siësta’s. Leuke mensen ook, de Italianen in het algemeen en de Sicilianen in het bijzonder; altijd vriendelijk, soms zelfs een beetje te verstaan, alleen wel heel erg eigenwijs. Ik kom daar zo meteen op terug.
Waar kennen wij Sicilië van? Behalve van de films Godfather I, II en III, die we in een marathonzitting nog even hebben doorgenomen voordat we op vakantie gingen. Inderdaad, van de Etna. De grootste nog actieve vulkaan van Europa, zo lezen wij in het vulkanenboek dat onze zoon in de bibliotheek heeft geleend. Alleen die vulkaan is reden genoeg om zo’n land te bezoeken, wat ons betreft.
Vanuit ons hotel gaan er goed georganiseerde excursies naar de Etna, met de bus, lokale gids en authentieke Italiaanse lunch onderweg.
Veel te braaf natuurlijk. Wij huren een autootje en gaan op eigen gelegenheid, hoeven we ook niet vóór dag en dauw op. Die authentiek Italiaanse lunch regelen we met handen en voeten en veel gelach zelf; de gemiddelde Siciliaan, ontdekken we, is er op uit om je te helpen.
Het is de bedoeling dat we met dat autootje de berg op rijden, hem vlak naast de krater parkeren en dan een blik werpen op de gloeiende lava. We rekenen nergens op natuurlijk, maar in juni is er nog een heuse uitbarsting geweest en we hebben ons fototoestel bij ons. Mijn zoon en ik hóren mijn vrouw al, bij wijze van spreken en voorpret: ‘Niet zo ver voorover leunen. Mat, let nou op hem, ben jij nou voor één keer het verstandigst.´
Als geen ander kan mijn vrouw bij dit soort gelegenheden de feestvreugde verhogen en de spanning opvoeren.
Aan de voet van de Etna aangekomen lijkt het de bedoeling om te parkeren tussen de souvenirwinkeltjes. Een vastberaden carabinieri belet ons inderdaad de doortocht en probeert ons duidelijk te maken dat dat ook voor ons geldt. ´No comprendo´ en vastberaden gas geven werkt dit keer niet. We kunnen omhoog met een kabelbaan en dat was dus bijna het einde van de excursie. Ik rijd zelf in een oude Italiaanse auto en ik weet dus wat er allemaal mis kan gaan aan de Italiaanse techniek. De kabelbaan ziet er niet veel moderner uit dan mijn auto, maar hangt wel aan een draadje, terwijl mijn auto tenminste nog op vier wielen staat.
´Stel je niet aan,´ zegt mijn vrouw. Onbegrijpelijk hoe onverantwoordelijk die zich soms kan opstellen.
Goed, met de kabelbaan omhoog, die overigens halverwege nog even wordt stilgezet zonder aanwijsbare reden, wat mij weer aan mijn oude auto doet denken, maar ik zie de Italiaanse wegenwacht daarboven nog niet zo snel langskomen, zeker niet in lunchtijd. Daarna rijden we het laatste stuk omhoog in een fourwheeldrive-bus, met Italiaanse chauffeur. En dat was het dan wel zo’n beetje qua avontuur. We wandelen daarboven nog wat rond met de onvermijdelijke gids, rapen lava-brokken op voor thuis en steken onze handen in gaten in de grond om te voelen hoe warm de berg is.
‘Indrukwekkend hè?’ zeg ik tegen mijn zoon.
‘Nou!’ zegt die.
Twee dagen later zitten we op het strand bij te komen van een kayak-tocht op zee en ons voor te bereiden op een paraflight, aan een parachute achter een – Italiaanse – speedbootje hangen. Tja, de tijd van zandkasteeltjes bouwen aan de vloedlijn is voorbij.
