Een uitgave van mats bv ©

FIETSGESPREK

Jaargang VI, 46

Wij fietsen voorop, mijn dochter en ik en de zoon en mijn vrouw blijven een beetje achter. Dat is meestal andersom, zowel in samenstelling van de tweetallen als de volgorde. Dus normaal, als we ‘s zondags een stukje gaan fietsen, sjokken hij en ik achteraan.

Zo komen we eens tot een gesprek. Een beetje een merkwaardig gesprek, maar niettemin.

We zien een trosje koeien in de wei liggen die ook nog een beetje genieten van het prachtige najaarsweer.

‘Ik zou best wel een koe willen zijn,’ zegt de dochter. ’Lekker rustig zo in de wei.’

‘Nou,’ zeg ik, ‘dan word je wel niet ouder dan een jaar of vijf, want dan ga je naar het slachthuis.’ Dat heb ik toevallig net in de krant gelezen.

‘Och, dat is maar hoe je het bekijkt. Als je een reuzenschildpad bent, die zo’n tweehonderd jaar kan worden en je zegt tegen je vader: ik zou wel een mens willen zijn, dan kan die vader natuurlijk zeggen: dan word je maar tachtig jaar oud.’

‘Tja,’ zeg ik, ‘alles is betrekkelijk.’ Want zo had ik het nog niet bekeken.

‘Misschien is het ook wel leuk om een boom te zijn,’ peinst mijn dochter verder.

‘Dat hangt er ook maar helemaal vanaf. Stel je staat bij ons in de straat een beuk te wezen en naast je staat een eikel van een eik. Wat bij ons toevallig ook zo is. Daar zit je dan wel je hele leven aan vast.’ Qua voorstellingsvermogen doen mijn dochter en ik niet voor elkaar onder.

‘Ja, maar dan zou ik een boom in het bos willen zijn, zoals die daar.’ Ze wijst naar een kloeke kastanje die het inderdaad erg naar zijn zin lijkt te hebben.

We fietsen een tijdje stug door, want het is nog een flink eind naar huis. Maar het gesprek is nog niet afgelopen.

‘Zou je eigenlijk ook een huis kunnen zijn?’

Nou weet ik van een eerder goed gesprek dat mijn dochter erg geïnteresseerd is in reïncarnatie en dat ze daarom de mogelijke vormen waarin ze terug kan keren de revue laat passeren, maar volgens mij is het niet mogelijk om als huis wedergeboren te worden.

‘Lijkt mij niet,’ zeg ik dan ook, ‘huizen leven niet.’

Ikzelf weet het niet met die reïncarnatie. Zou kunnen, zou kunnen van niet. Ik zou er zelf niet te vast op rekenen.

‘Ik denk dat je tevreden moet zijn met wie je bent,’ filosofeer ik dan ook maar zo’n beetje voor me uit.

‘Maar ik ben ook eigenlijk best tevreden met mezelf,’ zegt het schatje achteloos en welgemeend.

‘Dat is goed, schat, en daar heb je ook al reden toe.’ Ik denk dat het geen kwaad kan voor de komende puberteit een voorraadje zelfvertrouwen op de bouwen.

We stoppen om op vrouw en zoon, moeder en broer te wachten. Die zijn zo druk in hun eigen gesprek verwikkeld dat ze flink achterop zijn geraakt. Dat gesprek zou over de zin van het bestaan kunnen gaan, maar ook heel wel over het verlanglijstje voor het komende Sinterklaasfeest.