Een uitgave van mats bv ©
FRANS
Jaargang XI, 32
Mijn vrouw heeft voor veel geld een schriftelijke cursus Frans aangeschaft. Nou ja, schriftelijk, er zitten ook CD´s bij om de correcte uitspraak te horen en een bandrecordertje dat ze kan inspreken met háár versie van de Franse uitspraak. Dat moet toch menig vrolijk uurtje opleveren bij de meesters en juffen op de correctie-afdeling van dat schriftelijke onderwijsinstituut, waarvan we de naam hier niet gaan noemen omdat we die club via het lesgeld al genoeg gesponsord hebben.
Hoewel wij in zijn algemeenheid van mening zijn dan Frans vooral geschikt is voor de Fransen, vinden we het op een of andere manier wel heel huiselijk om mama met een koptelefoon op buitenlands te horen mummelen in een cassetterecordertje. En aan de rand van het zwembad in ons vakantiehotel leek ook niemand er raar van op te kijken; niet dat wij gemerkt hebben tenminste. Je zou je hooguit kunnen afvragen hoe logisch het is om een overgewicht aan Franse cursus mee te slepen naar een land waar de voertaal Frans is, in elk geval tegen toeristen. Je zou zeggen dat de praktijk toch altijd te verkiezen valt boven de theorie.
Onze dochter demonstreert in het Marokkaanse zwembad hoe dat gaat. ‘Kijk papa, ik ga nieuwe vrienden maken.’
Ze plonst in het water en gaat zich opvallend onopvallend ophouden in de buurt van een paar spetterende leeftijdgenootjes. Na een dag of wat aftasten in verschillende groepssamenstellingen, is ze dikke vriendinnetjes met een Franssprekend meisje. Dat later overigens de dochter van de hotelkok blijkt te zijn, zeker geen onverstandige keuze dus. De meiden dollen in het zwembad, wisselen kralenarmbandjes uit, leggen een ingewikkelde puzzel op de hotelkamer en zitten samen op één strandstoel boekjes te lezen. Af en toe komen ze naar mij om een spraakverwarring op te lossen en wat zinnen te vertalen. Ik heb weliswaar geen schriftelijke cursus gehad, maar wel dermate lang op middelbare school gezeten dat er ergens in mijn achterhoofd wel wat is blijven hangen wat opgegraven kan worden.
Op onze hotelkamer vinden we op een dag een paar velletjes papier met gekrabbelde tekeningen waar Elma de Nederlandse betekenis onder schrijft en Manon het Franse equivalent.
‘Kijk, zo gaat het eigenlijk vanzelf,’ zeg ik tegen mijn vrouw, maar ze hoort me niet met de koptelefoon op.
‘Zjee deuj zjevoo..,’ spreekt ze vol overtuiging tegen haar cassetterecorder. Ik heb twee paarden of ik heb een Lelijke Eend. Ik doe er wel flauw over, maar stiekem heb ik er natuurlijk toch respect voor. Knap én hersens is altijd mijn favoriete combinatie geweest. En zelfs in de uitspraak van mijn vrouw kan je toch horen waarom ze Frans wel eens de taal van de liefde noemen.
Terwijl ik stiekem van achter mijn donkere zonnebril naar haar zit te gluren, schieten me warempel twee Franse dichtregels te binnen. Uit de gedichtenbundel ‘Toi et Moi’ van Paul Géraldy, die ik al sinds mijn middelbare schooltijd in mijn boekenkast heb staan. Waarom weet ik eigenlijk niet, maar nu komt hij wel heel mooi van pas.
Je dis des mots, toujours les mêmes…
Mais je vous aime ! Je vous aime !...
