Een uitgave van mats bv ©

GESPREK

Jaargang X,48

De nieuwe kat, die wij in een moment van collectieve verstandsverbijstering tot de gelederen hebben toegelaten, loopt te piepen. D’r is niks aan de hand, zoveel verstand heb ik er inmiddels ook wel van. Alle inentingen van de dokter gehad, eten en drinken voldoende, schone kattenbak en meer dan genoeg aandacht. Toch piepen!

‘Wattisser kleintje,’ brom ik op goedhartige toon tegen het rommelige puppy-poesje.

‘O, ik mis mijn mama zo,’ zegt mijn dochter alsof zij het poesje zelf is.

Dat is een rare gewoonte bij ons thuis, mijn vrouw is daar ooit mee begonnen. Dan doen we net alsof we iemand of iets anders zijn en praten met de stem van diezelfde iets of iemand. En dan komisch. En we doen dat niet alleen met mensen, we doen soms ook net alsof een kat of een boom kan praten.

Wijzelf vinden dat leuk en we doen het meestal niet als er andere mensen bij zijn.

‘En ik mis ook mijn papa zo,’ doet onze zoon zijn zus en het katje na. Hij doet het namelijk ook. We doen het eerlijk gezegd allemaal; ikzelf kan het ook heel leuk.

Het signaal dat de jongen met zijn opmerking afgeeft, tussen twee haakjes, is emancipatoir natuurlijk dik in orde. Papa en mama zijn even belangrijk; zo hebben wij ze ook opgevoed en zo hoor je het graag als vader.

‘Dat denk ik eerlijk gezegd niet, jongen,’ zeg ik met mijn eigen stem. ‘Zo gaat dat niet bij katten. Daar heeft zo’n kater even een wippie gemaakt en is toen met de noorderzon vertrokken.’ Ik weet ook niet waarom ik dat zeg; dat had helemaal niet gehoeven. Bovendien had het wat seksviendelijker geformuleerd kunnen worden.

‘Da’s hárd,’ zegt de jongen. Ik kijk hem eens schuin van opzij aan. Dat is eigenlijk precies het goede antwoord. Het klinkt stoer genoeg voor mannen-onder-elkaar en het klinkt meteen ook een beetje als het laatste woord; zo van: ik heb het begrepen, ik hoef geen aanvullende voorlichting en ik begrijp ook dat zulk gedrag niet de bedoeling is.

De beste gesprekken tussen vader en zoon hebben vaak niet veel woorden nodig.

‘Och,’ zeg ik, ‘bij katten is het vrij gebruikelijk. Bij mensen minder, maar daar komt het toch ook voor.’ Misschien wil ik alsnog een stukje opvoedkunde aan dit gesprek verbinden, dat eigenlijk begon met een misplaatste opmerking, misschien wil ik alleen maar geluid maken om dit intieme moment even vast te houden.

‘Da’s hard,’ zegt hij nog eens.

En dan is het alweer voorbij, wat eigenlijk niet eens een gesprek is geweest. Zelfs de dochter is even stil. We kijken allemaal naar het katje, dat besloten heeft dat piepen toch niks oplevert en gezellig in de gordijnen is gaan hangen. Pas bij ons in de familie en dan al aanleiding voor een goed gesprek, het had slechter kunnen beginnen.

Ze hoort er al helemaal bij en ze heet trouwens Mokka.