Een uitgave van mats bv ©

HELEMAAL ALLEEN

Jaargang XI, 7

Het is tien over zes in de ochtend, maar ik ben al helemaal aangekleed. Sterker nog, ik ben klaarwakker en sta op straat. In de verte zie ik de achterlichten verdwijnen van een zwarte auto die alles meeneemt wat me dierbaar is. De verlatenheid en eenzaamheid grijpen me nu al naar de keel. Een windvlaag met natte sneeuw giert om mijn lijf en ik vlucht naar binnen waar de katten me verwijtend zitten op te wachten.

Hoe heb ik dit kunnen laten gebeuren?

Ze zijn met z’n drieën op wintersport; weliswaar met een vriendin en haar zoon, maar wel zonder mij. Waarom heb ik mijn gezin, mijn reden van bestaan, laten vertrekken naar de gevaarlijkste aller vakanties zonder hun heer en beschermer?

Ik wil proberen het uit te leggen. Na jarenlang doordrammen van mijn echtgenote ben ik vorig jaar voor het eerst met haar en de kinderen op wintersport geweest. Om er vanaf te zijn, was het idee. Maar de kinderen vonden het helaas erg leuk.

Ik niet. Helemaal niet. Maar dan ook echt, verschrikkelijk heel erg niet. De St Bernhardhonden ter plekke trouwens ook niet; die hadden aan het eind van onze vakantie geen nagels meer over om me uit te graven, laat staan schnaps in dat tonnetje.

‘Dit nooit meer’, dacht ik toen ik eenmaal bont en blauw, maar toch veilig weer thuis was. En toen ik weer wat rustiger was en me bewust van de stemverhoudingen binnen dit gezin, dacht ik : ’Eens zien hoe we daar volgend jaar onderuit komen.’

En volgend jaar kwam eraan en we hielden elkaar stevig in emotionele gijzeling, mijn vrouw en ik.

‘Als er nou een vakantiebestemming is waar een van ons absoluut niet naar toe wil, zouden we dan toch gaan?’

Of deze, ook een hele mooie: ‘We vinden het helemaal niet leuk zonder jou, maar we vinden het zo leuk.’

Ik wil ze niet alleen laten gaan en ik wil niet mee; zij willen niet zonder mij, maar willen toch gaan. Een onhoudbare situatie, die vraagt om een volwassen oplossing.

‘Ik wil niet, ik hoef niet, ik ga niet’. Het hoge woord is eruit.

‘Dat is goed. Maar dan verder niet zeuren. Dan moet je ons ook gewoon laten gaan. Wij redden ons heus wel’. Toch wel een beetje alsof ze erop zat te wachten. Ook al omdat ze nauwelijks een dag later de plaatselijke skishop leegrooft; dat was gepland.

Opmerkelijk monter na de lange autorit meldt ze ’s avonds dat ze veilig zijn aangekomen aan de voet van de berg. En uitgesproken vrolijk de volgende dag dat ze op de eindbestemming zijn. Na vijf dagen vertelt ze plompverloren aan de telefoon dat ze de kinderen die avond, als de nacht is gevallen, moederziel alleen onder begeleiding van een Franse skileraar de berg op gaat sturen in het donker, om een fakkeltocht te skiën.

Ik hoef niet alles te weten.

En ik? Ik red me heus wel. De eerste dag is toch het ergste. Je mist de regelmaat en het ritme van het gezinsleven en de aansturing door de dagelijkse leiding.

Vanavond is er een fijne wedstrijd op televisie en ik weet nu al dat ik mooi op tijd in de beste stoel klaarzit. Een bord zelfgemaakte macaroni-schotel – in de oven opgewarmd eigenlijk het lekkerst – op schoot. Biertje ernaast.

Helemaal alleen.