Een uitgave van mats bv ©
HOCKEY
Jaargang X, 36
Mijn zoon zit op hockey. Ik heb heel erg mijn best gedaan, maar ik heb het niet kunnen tegenhouden. Wie mij enkele jaren geleden, nog vóór mijn huwelijk, toen ik nog volop in mijn alternatieve periode zat, had gezegd dat me dat zou overkomen, had ik hartelijk in zijn of haar gezicht uitgelachen. Ik heb met de jongen gepraat, uitgelegd hoe moe je wel niet van hockey wordt, hoe keihard die bal tegen je hoofdje kan knallen, dat het altijd regent als je moet spelen, dat wij toch altijd van Ajax waren, dat zowel de mannen als de vrouwen met moeite een zilveren medaille hebben gehaald op de Olympische Spelen en dat tennissen en pianospelen toch ook heel leuk is en dat kinderen het vandaag de dag toch al zo druk hebben, het heeft niet mogen baten.
Even leek het er nog op dat we de dans zouden ontspringen omdat zich te veel kinderen hadden aangemeld en dat dus een ledenstop dreigde, c.q. aan de horizon gloorde. Dat is ons ook met judo gelukt. Maar helaas. Nou moet ik erbij vertellen dat mijn vrouw niets aan het toeval heeft overgelaten.
‘Ik lees hier in het clubblad dat van de ouders wel wat activiteiten worden verwacht.’
‘Jij hebt het al druk genoeg met van alles,’ zeg ik nog lief.
‘Daarom had ik gedacht om jou aan te melden voor het clubblad, dat kan wel wat professionele hulp gebruiken.’
Wat ik dan toch tegen hockey heb?
Laat ik onze eerste dag op de hockeyclub beschrijven, dan wordt het vanzelf duidelijk.
Op vrijdag valt ‘De Bult’ in de bus. Vraag me niet waarom, maar zo heet dat clubblad dat wel wat professionele hulp kan gebruiken. Daarin lezen wij dat we zaterdag, de volgende dag dus, moeten opdraven voor de feestelijke opening van het seizoen. Nou schijnt iedereen dat wel geweten te hebben, tenminste ook mijn echtgenote had al een half maandsalaris aan uitrusting besteed in de plaatselijke sportwinkel, maar dan denk ik dat de drukkosten van dat blad uitgespaard hadden kunnen worden. Tot zover mijn professionele hulp.
Als we komen aanlopen horen we dat de vader wordt opgeroepen van een jongetje dat met ons is meegereden en waarvan wij toevallig weten dat hij niet eens in het land is. Na een minuut of tien wordt dat de organisatie ook duidelijk en dan klinkt het parmantig: ‘Wil mevrouw Heffels zich bij de organisatie melden.’
En dat vind ik dan weer heel gewiekst van zo’n hockeyclub, dat ze feilloos de juiste persoon eruit pikken. Een paar tellen later is mijn vrouw coach-voor-een-dag.
Maar ze hoeft het niet alleen te doen, er lopen nog een paar moeders mee, die wel willen helpen om 10 jongetjes die allemaal net een hockey-knuppel en een bal hebben gekregen, een hele feest-activiteiten-ochtend een beetje zinvol bezig te houden.
Wat doe je dan als vent? Je grijpt de fluit die bij het coach-pakket wordt geleverd. Eerst gaan we in een kring de bal naar elkaar overspelen, wat wij op de voetbal-training een rondootje noemen, en daarna met twee teampjes een wedstrijdje op doel. Het moet gezegd, de dames halen uit dankbaarheid voortdurend koffie.
Aan het eind van de ochtend blijkt dat de club 100 jaar bestaat en dat vieren we met drumband en ballonnen.
En dan houdt de veurzitter een lullepot. Dat is corpsballen-jargon voor een praatje.
Ben ik duidelijk?
Mijn vrouw vindt zoals gebruikelijk dat ik niet moet zeuren en dat ik toch ook zie hoeveel plezier hij eraan beleeft, dat al zijn vriendjes op hockey zijn en dat we nou eenmaal in zo’n omgeving verkeren.
Dan houdt ze me tegen als iemand mijn dochter benadert met de opmerking dat zij toch echt een hockey-meisje is, en of ze zich niet wil opgeven. Ik word anders bijna nooit agressief.
’s Avonds is het allemaal alweer een beetje weggezakt en sta ik rustig mijn gazon te maaien.
‘Papa wil jij straks met mij hockeyen.’
Alles in mij gilt van niet, maar ik zie aan mijn vrouw dat ik wel wil.
Dat kan er nog wel bij.
