Een uitgave van mats bv ©

HONDJE

Jaargang XI, 12

Gruwelijke en schokkende taferelen hebben zich afgespeeld in onze achtertuin. Moord en doodslag met drie onschuldige slachtoffers. De dag begon als een eerste mooie lentedag waarop we zo lang hadden gewacht. Zo’n dag dat iedereen naar buiten wil om de eerste zonnestraaltjes van het jaar op het bleke huidje te laten prikken. Nou ja, iedereen. Onze zoon niet. Die had zich voorgenomen om nou eens lekker de hele middag op de spelcomputer te gaan spelen, schuchter voorjaarszonnetje of niet.

De kippen wel, die buitelen over elkaar heen als mijn vrouw het deurtje van hun ren opendoet. Hoi, hoi, lekker de borders overhoop halen. En terwijl mijn vrouw en dochter de stad in trekken omdat ze met dit weer natuurlijk niets geschikts hebben om aan te trekken, ga ik maar eens lekker ruzie maken met mijn zoon.

‘Jongen kom naar buiten, het is prachtig weer.’

‘Wat gaan we dan doen?’

‘De garage opruimen en de rommel naar het vuilstort, pardon het afvalscheidingsstation brengen.’

‘Daar heb ik helemaal geen zin in.’

‘Dat geeft helemaal niks jongen.’

‘Jij bent stom.’

‘En jij bent lekker buiten.’

Gelukkig blijft de jongen nooit lang boos en bovendien wordt zijn aandacht snel afgeleid.

‘Kijk papa, een hondje.’ Een hondje heeft niets te zoeken in onze tuin, maar ik ruik dan nog geen onraad. Meteen daarna wel.

‘Kijk papa een kip.’ We zijn aan de voorkant van het huis en daar heeft die kip niks te zoeken. Als snel realiseer ik me dat die kip niet vrijwillig aan de verkeerde kant van ons huis zit, die heeft zojuist een zeer onplezierige ontmoeting gehad met dat hondje. In feite kunnen we eigenlijk nauwelijks meer spreken van een kip. Een bloederig hoopje rommelige veren is het. En het ergste: ze leeft nog.

‘Papa, ze lijdt!’

Ik uit een paar zeer ernstige verwensingen en storm de achtertuin in. Daar is de ravage enorm, overal bloed en veren en nog twee kippen op apegapen. Daartussen een vrolijk kwispelend hondje. Met een ijselijke kreet stort ik me op het mormel met zijn vrolijke rode halsbandje. Hij mag van geluk spreken dat ik hem niet te pakken heb gekregen, ik had niet voor mijzelve ingestaan.

Ik stuur de zoon naar binnen en verlos de kippen uit hun lijden, terwijl ik daar helemaal niet flink in ben en geef ze hun laatste rustplaats in de biobak. Voor een eervolle begrafenis is hun dood te traumatisch en gewelddadig.

Dan komen mijn vrouw en dochter thuis en we realiseren ons samen dat alleen de blonde kippen gesneuveld zijn en dat de zwarte jonkies in geen velden of wegen te bekennen zijn. Wel her en der zwarte veren in de tuin. We moeten het ergste vrezen. Als ze maar niet ergens onder een struik liggen te creperen. De kinderen en ik zoeken in de omliggende tuinen. Mijn vrouw fietst ondertussen door de buurt op zoek naar het hondje, waarvan onze zoon en ik een nauwkeurig signalement hebben kunnen geven. Hij mag van geluk spreken dat ze hem niet te pakken heeft gekregen.

Uren later zitten we teneergeslagen bij elkaar. De hele buurt is inmiddels gealarmeerd en we hebben onze buren kunnen onderverdelen in hen die beginnen over barbecue en kippensoep, zogenaamd om ons op te fleuren, anderen die ons proberen uit te leggen dat sommige honden nu eenmaal dat instinct hebben en dat het voor hun baasjes ook niet leuk is en dat we kalm moeten blijven als we ze vinden en tenslotte de buren die gewoon meehelpen met zoeken.

Nog weer later die avond blijkt dat onze zwarte kippen het hondje toch te snel zijn afgeweest. Een voor een melden ze zich in de ren. En de volgende ochtend gewoon drie eitjes, alsof er geen massamoord heeft plaatsgevonden.

Wij vergeten niet zo makkelijk. Wij kunnen kleine hondjes met rode halsbandjes alleen maar aanraden voorlopig ver uit de buurt van onze tuin te blijven.