Een uitgave van mats bv ©
HOOP
Jaargang VII, 28
Het beest is binnen. Zonder al te veel plichtplegingen is onze nieuwe poes in zijn geboortehuis opgehaald. Een beetje aan de vroege kant, geloof ik, maar haar pleeggezin ging op vakantie en d'r biologische moeder maakte nou ook niet direct de indruk van haar losgerukt te moeten worden, dus hóp, de reismand in, voordat iemand sentimenteel kan worden en na een korte worsteling wie van onze kinderen het mandje mag dragen, met de auto huiswaarts.
Nou is ons huishouden, ondanks mij, behoorlijk toegerust op katten, dus alles was wel zo'n beetje in orde. Een schattig mandje, waar ze waarschijnlijk nooit in zal gaan slapen, zo leert de ervaring; een verse kattenbak, met korrels die nog overgebleven waren van de vorige, Sylvester, die zijn behoefte altijd in het bloemenperkje van de buren deed en dus helemaal geen kattenbak nodig had; en een design eet- en drinkbakje van roestvrij staal, wat gezien het vuilnisbak ras van het beest zelf zwaar overdreven is. De vlag hing nog nét niet uit.
Al snel blijkt dat ik een vent ben als alle andere: grote mond, klein hartje. Het valt ook niet mee om stoer te blijven bij zo'n pluizig klein poesje ter grootte van een opgerold paar sokken, zelfs niet als haar nieuwe speeltje bestaat uit een opgerold paar van mijn beste tennissokken. Het is bijna schattig om haar te zien hinkstapspringen door het huis en zelfs haar oogverstuikende lelijkheid heeft iets ontwapenends. Het katje heeft het bij ons ook niet meteen makkelijk hoewel wij in principe allemaal van goede wil zijn. Toch al te vroeg uit huis geplaatst, komt ze terecht in een goed, maar druk en luidruchtig gastgezin. Getooid met een naam die al het ergste moet doen vrezen, Assepoes, wordt ze door iedereen hier in huis voorlopig steevast Sylvester genoemd. De geest van wijlen onze betreurde ex-kater waart in dit huis nog steeds rond en dat zet de nieuwkomer op achterstand. En dat siert mij nou zo: ik neem het altijd op voor de zwakkere, de underdog, of de undercat in dit geval.
Geamuseerd kijk ik toe hoe ze via de vitrage voor de tuindeuren bijna het plafond haalt, lekker rollebolt in de asla van de open haard en tevergeefs haar nageltjes probeert te scherpen aan onze bank. Bijna vertederd zie ik haar een holletje graven in de kasjmier-trui van mijn vrouw, waar ze ook uitgeput in slaap valt.
Nee, toch niet, het was maar een hazenslaapje; nu klimt ze alweer via de rugleuning op de bank waarop ik de krant zit te lezen. Ze gaat tegenover me zitten en staart me aan. En het duurt even voordat ik die wazige blik en typische houding herken, de achterpootjes een beetje doorgezakt, het ruggetje hol. Het zal toch niet? Maar jawel hoor, daar ligt een keurig, hevig geurend drolletje op mijn krant.
Nota bene op het katern dat ik nog niet gelezen had!
