Een uitgave van mats bv ©
HUIB
Jaargang VII, 36
Het kleine haantje dat wij te logeren hadden, heeft het niet gered. O pardon, schrok u? Hij leeft nog wel, maar hij heeft niet kunnen volbrengen waarvoor hij was ingehuurd. Voor zover wij dat kunnen beoordelen is er geen kip bekuikend en mocht dat wel het geval zijn dan moet een van die kippen als de donder op die eieren gaan zitten broeden anders wordt het alsnog niks.
Wij nemen die haan niks kwalijk, je kunt nu eenmaal best wel eens een tijdje geen zin hebben. Maar we hadden het fijn voor hem gevonden als hij het naar zijn zin had gehad bij ons en dat onze kippen hem een beetje leuk hadden opgevangen. En daar leek het helemaal niet op. Als ik 's avonds naar binnengluurde zat hij steevast met hangende veertjes apart op een stok, terwijl onze kippen samenklonterden op een andere stok. Voor dag en dauw werd hij het hok uitgestuurd om de buurt wakker te kraaien, terwijl die van ons zich nog eens lekker omdraaiden. Tegen het eind van de middag konden ze hem al niet meer om zich heen velen en moest hij weer naar binnen. Toen ik het hok schoonmaakte, viel het me op dat er wel meer veren dan gewoonlijk in lagen. Wellicht dat er dan toch iets geprobeerd is. Het valt me tevens op dat de kippen opvallend monter zijn; van enig broeden is geen sprake meer, geheel in tegenstelling tot wat je zou moeten verwachten en wat ze juist wel doen als er helemaal niets te broeden valt. Kwiek scharrelend en kakelend bewegen ze zich door de ren. Ze maken zich een beetje vrolijk over dat haantje, ben ik bang. Alhoewel, dat mag dan spijtig zijn voor het haantje, zijn verblijf heeft mijn kippen zichtbaar goed gedaan. Ze zijn echt opgeknapt van het verzetje.
Eigenlijk heb ik geen idee hoe de hofmakerij bij kippen eruitziet, maar na anderhalve week zat er volgens mij nog geen enkel schot in en toen heb ik hem uit zijn lijden verlost en naar huis gebracht. Ook al had buurman gezegd dat hij twee weken moest blijven. We zullen voor de zekerheid een tijdje geen eieren eten.
Buurvrouw doet even het hek en de deur van het schuurtje open als ik de haan kom thuisbezorgen.
'Hallo Huib, ben je daar weer? Je zult je vriendinnetjes wel gemist hebben.'
De haan, die dus Huib blijkt te heten, kruipt uit de verhuisdoos en sjokt een beetje verlegen richting een paar hele kleine kippetjes in een hoek van het schuurtje. Die heeft heel wat uit te leggen.
'Die haan had een naam, hij heette Huib,' vertel ik als ik weer thuis ben.
'Tja,' zegt onze dochter, 'dat konden wij natuurlijk ook niet weten.'
Natuurlijk niet, maar ik vraag me af of het iets uitgemaakt zou hebben als we het geweten hadden.
