Een uitgave van mats bv ©
HULPCOACH
Jaargang XI, 36
Mijn vrouw is erg bevattelijk voor vrijwilligerswerk. Als ik haar onbeschermd naar een bijeenkomst, verjaardag of vergadering laat gaan, is de kans groot dat ze als penningmeester of anderszins aangesteld in een onbezoldigde functie terugkomt. De bescherming die ik haar kan bieden voordat ze naar dergelijke besmettelijke bijeenkomsten gaat, bestaat uit het eenvoudigweg opsommen van al haar huidige functies. Dat is meestal voldoende, maar niet altijd.
Ik verwonder me wel eens over de gewiekstheid van clubs en verenigingen in deze; ze weten hun vrijwilliger-slachtoffers feilloos te vinden. Pure noodzaak denk ik.
Ik verwonder me nog vaker over mijn dierbare echtgenote. Flinke baan, twee schoolgaande kinderen, vier katten, een veeleisende echtgenoot en toch voortdurend ontvankelijk voor de roep van maatschappelijke verantwoordelijkheid.
Ikzelf sta erg dubbel in deze wedstrijd, of drie- of vierdubbel. Enerzijds vind ik inderdaad vaak dat niemand het beter kan dan zij en zou ik bijvoorbeeld het penningmeesterschap van het schooltje van mijn kinderen niet graag aan iemand anders overlaten. Anderzijds zou ik het ook wel leuk vinden als ze wat vaker bij ons in de kamer op de bank in slaap viel onder een leuke voetbalwedstrijd in plaats van achter de rekenmachine in haar werkkamertje. Derderzijds zal ik natuurlijk apetrots op haar zijn als ze straks op koninginnedag een lintje krijgt opgespeld door de burgemeester. En tenslotte mag ik graag zeggen dat één vrijwilliger binnen het gezin voldoende is, als het verenigingsleven probeert een beroep op mij te doen.
Op de achtergrond laat ik me natuurlijk wel inschakelen voor het domme werk. Taxidiensten bijvoorbeeld of een fles wijn opentrekken als de bestuursvergaderingen bij ons thuis plaatsvinden. En als ik thuis ben zorg ik er in het algemeen voor dat de warme hap op tafel staat.
Dus toen de hockeyclub zich meldde voor wat ouderparticipatie, gingen de hakken spontaan in het zand.
‘Dat kent elkaar vaak nog uit het studentencorps,’ zeg ik lekker genuanceerd tegen mijn vrouw, ‘laat ze de penningmeesters in die kringen zoeken.’
‘Dan zeg ik wel dat jij ergens mee kan helpen, met het clubblaadje of zo.’
‘Dat clubblaadje is zonde van de bomen die ze ervoor omhakken, zelfs de hockeyclub heeft internet al ontdekt voor het doorgeven van de wedstrijdschema’s.’
En daarmee was de kous af, dacht ik. Totdat ik mijn zoon naar de eerste trainingswedstrijd van het nieuwe seizoen bracht. Hij zit in een nieuw team en dat bleek nog een coach te ontberen. Een licht gestresste wedstrijdleidster deed een dringend beroep op de aanwezige ouders. Maar de een was elke zaterdag in het buitenland, een ander ging plotseling voor iedereen koffie halen en een derde moest de veters van zijn schoenen vastmaken. Een moeder en ik hadden zo snel geen smoesje paraat en keken elkaar eens aan.
‘Zullen we het samen proberen,’ zei ze aarzelend tegen mij.
‘Dat moet dan maar, hè,’ antwoordde ik hartelijk en toen was ik dus opeens hulpcoach.
‘Maar ik heb de ballen verstand van hockey,’ voegde ik er nog aan toe. Maar dat bleek geen bezwaar, want er was een trainster voorhanden die ook tijdens de wedstrijden wilde coachen en van mij werd alleen het vertrouwde domme werk verwacht, zoals taxi-rijden en keeperspullen sjouwen.
Maar terwijl ik zie dat de clubs waarvoor mijn vrouw actief is, onmiddellijk profijt trekken, blijven de resultaten van mijn inspanningen voor het hockey vooralsnog uit.
De eerste wedstrijd van mijn zoon gaat verloren met 21-0. Als me aan het begin van de tweede wedstrijd te verstaan wordt gegeven dat ik niet vanaf de kant hoef te coachen, omdat dat wellicht verwarrend werkt voor de jongens, gaat het al wat beter, maar toch nog 12-0.
Mij dunkt dat deze club meer behoefte heeft aan een wedstrijdschema-opsteller dan aan een hulpcoach.
