Een uitgave van mats bv ©

IJSPRET

Jaargang IX, 11

De tweede zaterdag van maart heb ik de laatste les van de cursus 'Schaatsen voor beginners in acht lessen' gehad. Dat is niet om te lachen, dat verdient respect! Ik weet niet zeker of de cursus succes heeft gehad, maar de kunstijsbaan is dicht en dat kunnen we volgend jaar winter dus pas weer checken. Waarom wij eigenlijk aan het eind van de een kwakkelwinter alsnog op schaatsles moesten, weet ik nog steeds niet. Mijn vrouw zegt weliswaar dat we van tevoren erover hebben gesproken, maar naar mijn gevoel was het alsof ik er opeens voor was opgegeven. Ik heb het voor mijn gezin gedaan. Of eigenlijk hebben mijn kinderen en ik het voor mijn vrouw gedaan. Sinds zij als bakvis over de bevroren Jan Gijzenkade zwierde, droomde ze ervan om ooit met haar gezin lange tochten over de vaarten, sloten en plassen te maken.

Het is mij niet meegevallen. Meteen op de eerste dag gaat het mis. Mijn kinderen worden meteen van mij gescheiden en meegenomen door een leuke jonge juf. Nadat ik meedogenloos bij de beginners ben ingedeeld, wordt me door zo'n vlot jongmens doodleuk meegedeeld dat we ons aan de andere kant van de baan moeten verzamelen bij de beginnersjuf. Met een vrolijk 'tot zo' zoeft hij er vervolgens vandoor. Mij totaal verbijsterd achterlatend op mijn gehuurde Noorse schaatsen.

Als ik uiteindelijk aan de overkant ben aangekomen, heeft mijn klasje medebeginners mij al een keer gedubbeld en is inmiddels weer aan de andere overkant dan die van mij. Ik zie vanuit de verte hoe de juf het hun aan het uitleggen is. Ik er achteraan, maar dan staat er opeens een gek met een fluitje op de baan bij een rood stoplicht, moeten we verzamelen en opnieuw starten. Zeker een Oudhollands schaatsgebruik.

Aan de overkant maakt onze juf van de gelegenheid gebruik om de juiste slag nog eens te demonstreren. Daar komt onze zoon langs: 'Hoi pappa, ben je al hard gevallen? Ik kan al schaatsen hoor. Zal ik het laten zien?' En wég is hij.

Mijn vrouw is natuurlijk weer aan de overkant, met mijn dochter. Het lijkt wel alsof de les al bij iedereen begint te werken behalve bij mij. Ik ben helemaal alleen op het ijs. Ik heb hier niets te zoeken, ik ben een Limburger. Ik volbreng mijn tweede ronde. Ze moet toch weten dat ik verschrikkelijk veel van haar hou, dat ik dit allemaal doe. Langs de kant staan twee pubermeiden stom tegen me te grinniken. Mijn vrouw haalt mij van achteren in, met in haar kielzog de schaatsjuf, die mij zo schromelijk verwaarloosd heeft, dat ik als enige nog niet kan schaatsen en die ze blijkbaar danig heeft toegesproken. Hoewel het lesuur eigenlijk om is, krijg ik nog een kwartiertje extra bijles.

Alsof ik daar om gevraagd heb! Ik wil naar huis, ik wil zopie en op zijn vroegst pas weer volgende week schaatsen.