Een uitgave van mats bv ©

KATTENPSYCHIATRIE

Jaargang VII, 46

Net als onze huisarts, heeft onze huisveearts een groepspraktijk. Dat heeft als belangrijkste voordeel dat je nog eens een zogenaamde second opinion kunt vragen zonder dat je alles weer opnieuw moet uitleggen en laten zien, omdat je gegevens gewoon in de computer staan.

Zo kan het gebeuren dat de ene dokter onze Assepoes beoordeelt als een kerngezonde poes van een soort die vaak op boerderijen wordt gehouden om muizen te vangen terwijl zijn praktijkgenote in een oogopslag ziet dat er iets niet deugt.

'Die kat is inderdaad geschuffeld.'

'Die kat' heeft zojuist met een welgemikte haal de hand van de dokter opengehaald en wandelt nu luid spinnend door de praktijk. Ikzelf heb voor die diagnose geen dokter nodig, maar ik ben blij dat mijn visie wetenschappelijk wordt ondersteund. Ik kan de dokter menig smakelijk verhaal opdissen over wat ik met dit dier heb meegemaakt. Ze schudt haar hoofd, kan het bijna niet geloven terwijl ik nauwelijks overdrijf en begint dan over uit huis plaatsen te praten. Ze kent nog wel een mevrouw bij ons in de stad waar ze nu en dan een moeilijk opvoedbare kat kan plaatsen en als het echt niet anders kan neemt ze zelf ook wel eens een kat op in haar gezin. Ze plakt een grote pleister op haar hevig bloedende vinger.

Ik vertrouw dit zaakje niet. Het zou me niet verbazen dat mijn vrouw vooraf met deze arts heeft gebeld. Die weet dat dit op mij averechts werkt. Dat achter mijn grote mond mijn kleine hartje wild begint te kloppen. Hoe zou ik mijn kinderen kunnen uitleggen dat ik naar de dokter ga voor een anti-baby-pil en dat ik terugkom zonder kat en met een bezoekregeling. Ik, die al mijn leven lang opkom voor de zwakken en de misselijken, zou afstand doen van een kat alleen omdat hij een beetje geschuffeld is?

Ik prop Assepoes terug in haar reismand, ze krabt me aanhalig een beetje in mijn onderarm, ze weet dat ik partij heb gekozen voor haar.

'Zie ik daar nog wat zitten,' vraagt de dokter vol belangstelling. Inderdaad, ik heb het nog niet durven vertellen, maar daar zit nog wat. Blanco, om precies te zijn. Een klein spierwit katertje uit het huis van wijlen onze betreurde ex-kater Sylvester. Zó lief, zó schattig, zó aanhalig, een ras-slijmballetje. Krabt niet maar likt, blaast niet maar spint. Een kat uit een zo goed huis dat zijn pleeggezin hem al twee keer is komen opzoeken sinds hij twee weken geleden bij ons is komen wonen. En volgende week komen ze weer lunchen.

'Wat een schatje,' zegt de dierenarts, die toch geacht wordt objectief te zijn. Het schatje spint dat het een lieve lust is en krijgt dan een flinke spuit.

'Zo'n gezelschap zou wel eens goed kunnen uitpakken voor Assepoes,' zegt ze. Blijkbaar hobbiet ze een beetje bij in de kattenpsychiatrie. 'En ik geef je ook nog een zak speciale voeding mee.'

Een beetje wankelmoedig verlaat ik de praktijk. Volgende keer de derde vennoot maar eens proberen.