Een uitgave van mats bv ©

KLAVERJASSEN

Jaargang X, 32

‘Zeg papa, kan jij eigenlijk klaverjassen?’ vraagt mijn zoon opeens. We hebben deze vakantie in de siësta’s al veel gehartejaagd en gepest, overigens niet alleen het kaartspel, ook het zusje. En ik heb hem het edele spel van patience bijgebracht, dat je alleen kunt spelen en juist daarom voor iedereen leuk is. Mijn hart springt op. Tot nu toe was het kinderspel, maar klaverjassen is echt van een andere orde. Ik had niet durven hopen dat het dit jaar al zo ver mocht zijn.

Of ik kan klaverjassen? Wat een vraag! Ik heb de principes van het spel op kostschool geleerd en daarna mijn techniek vervolmaakt in de harde hogeschool van mijn vader; waar het nakaarten vaak langer duurde dan het potje zelf. Menig legendarische klaverjasdrive zijn daarna nog gevolgd. Glorieuze overwinningen volgden op smadelijke nederlagen. Halve varkens gewonnen en zware weddenschappen verloren. Of ik kan klaverjassen? Ik heb een leven van klaverjassen achter de rug.

‘Ja, maar kan je het nou of kan je het niet?’

‘Heel redelijk,’ zeg ik bescheiden.

‘Zullen we dan klaverjassen?’

‘Ja maar dat moet met z’n vieren,’ durf ik haast niet te hopen.

‘Ik wil best wel meedoen hoor,’ zegt zijn zus.

Mama zucht diep, heel diep. Er is in die 13 jaar en 8 maanden van ons huwelijk heus wel eens geklaverjast, maar ze is er, zachtjes uitgedrukt, niet gek op. Ze weet dat ik vind dat nakaarten, analyseren van de partij achteraf, noodzakelijk is om het spelpeil te verhogen en dat de discussies best op hoge toon gevoerd mogen worden, maar ze heeft er een hekel aan. Ze weet dat ik vind dat het seinen naar je medespeler over de kwaliteit van je eigen kaarten geoorloofd is, zolang de tegenstander het niet in de gaten heeft, maar zij vindt het puur onsportief. Ze weet dat het spel gespeeld gaat worden volgens mijn regels, Amsterdams of Rotterdams, daar wil ik even van af wezen, en ze vertrouwt het niet.

‘Goed,’ berust ze, ‘ik doe ook mee, maar we spelen wel eerlijk en we kunnen wel tegen ons verlies.’ En dan heeft ze het dus niet tegen de kinderen.

‘Tuurlijk,’ zeg ik schijnheilig en ik maak drie lijstjes met de kaartvolgorde van troef en niet troef en de puntentelling. Ik speel met de zoon, mijn vrouw met de dochter. Ik schud en deel de kaarten.

‘Jij mag troef maken.’

‘Wat is troef?’

Natuurlijk gaat het nog een beetje troef...eh…stroef zo’n eerste keer. Omdat iedereen door de verhalen van mama ervan uitgaat dat ik de regels naar eigen goeddunken interpreteer, krijg ik nauwelijks de kans om het spel naar mijn hand te zetten. Bovendien heeft mijn vrouw eerder in de gaten dat ik probeer te seinen dan mijn medespelertje. En niemand trapt er natuurlijk in als ik naar de keuken loop voor een vers biertje uit de koelkast en mijn zoon komt me achterna om de kaarten even samen door te nemen.

We verliezen kansloos, hij en ik. Maar er is toch waarlijk geen groter geluk voor een echtgenoot en vader dan met je gezin aan de rand van je eigen zwembad onder een grote parasol, met een koel biertje, een fris rosé-tje, een ice-tea en een Fanta en een extra portie chips voor iedereen – want thuis gaan we echt weer minderen – te klaverjassen.

En het leukste is nog wel dat ze het me allemaal zo van harte gunnen.