Een uitgave van mats bv ©

KOK

Jaargang XIII, 6

Die pompoensoep is inderdaad legendarisch. Zoiets smerigs hebben we nog nooit geproefd, als we eerlijk mogen zijn. Zelfs de katten, bepaald niet kieskeurig, bliefden hem niet. Gétverdérrie! En daar had ze een halve dag voor in de keuken gestaan. Waarschijnlijk heeft het niet eens aan mijn vrouw gelegen - pompoensoep kán gewoon ook niet lekker zijn - maar het voorval heeft ons wel allemaal licht getraumatiseerd. Beetje flauw van ons om er met enige regelmaat op terug te komen. En trouwens, één mislukking, hoe spectaculair ook, wil nog niet zeggen dat je niet kunt koken.

Natuurlijk is er ook het geval van die vriend, die bij ons saté kwam eten en niet lang daarna een ernstige kaakoperatie moest ondergaan. Er is nooit aangetoond dat dat met elkaar te maken heeft gehad en bovendien was hij een half uur te laat, waardoor de saté allicht wat welldonerder was dan gebruikelijk.

Mijn vrouw is misschien, laten we zeggen, geen sterkok, alhoewel ze een paar succesnummers op haar repertoire heeft, die ze nooit genoeg kan koken. En laten we vooral niet vergeten dat ze dit gezin gezond en blakend houdt.

Ik kook trouwens ook met enige regelmaat. Doordeweeks eten. En ik barbecue, zoals elke vent.

Sinds kort koken we zelfs wel eens samen. We willen namelijk een paar nieuwe maaltijden instuderen om te voorkomen dat vrienden die regelmatig bij ons komen eten al van tevoren weten wat ze bij ons te eten krijgen.

Samen koken heeft tevens een therapeutische werking voor het huwelijk omdat je taken moet kunnen verdelen en leren samenwerken.

Mijn vrouws beroemde rijsttafel, die wij liefst elke zondag aten, net als vroeger in Indië, is eigenlijk niet geschikt. Ik raak op een gegeven moment natuurlijk ook uitgepraat met de visite als zij de hele tijd in de keuken staat.

Vooralsnog zijn we niet heel erg tevreden over onze experimenten. We merken toch dat we gemakkelijk terugvallen op onze succesnummers. De weg van de minste weerstand als iedereen het lust en er toch genoeg vitaminen inzitten.

En dit weekend kwamen oude vrienden, die we met te lange tussenpozen regelmatig zien. Dit keer bij ons eten.

‘Zullen we dat wel doen?’ hadden ze nog naar elkaar gegrapt, toen we hen uitnodigden.

Ik kreeg het idee dat mijn vrouw dat enigszins op haar fatsoen trok.

Ik hoefde niet in de keuken te helpen. ‘Hou jij de mensen aan de drank en aan de praat,’ zei ze nog op haar Indische rijsttafel-manier.

Het is een hele gezellige avond geworden. Tussen het gekletter met de pannen vond ze gelukkig nog regelmatig tijd om deel te nemen aan het gesprek en blijkbaar had ze de hele middag staan koken. We aten ree in portsaus, rode kool en spruitjes, puree, rode peertjes en natuurlijk appelmoes. Echt heerlijk. Hoewel de rode kool, dacht ik, uit een pakje kwam. Kaasplankje met vers brood toe.

De visite was duidelijk geïmponeerd en niet alleen vanwege de indrukwekkend gedekte tafel.

Wat onwennig en aarzelend, alsof ze het niet konden geloven, kwamen de complimentjes.

‘De traiteur zei dat ik de ree in de bakjes kon verwarmen,’ zegt mijn vrouw onder het opruimen als onze vrienden voldaan in de nacht huiswaarts zijn gekeerd. ‘Maar ik zei: dat is helemaal niet de bedoeling meneer.’