Een uitgave van mats bv ©
LISSABON
Jaargang X, 31
Als ervaren gezin weet je op een gegeven moment wanneer je je verzet moet staken. We zijn nu voor het derde jaar in Portugal en voor het derde jaar vindt mama dat er wat cultuur tussen de zonnebrand door moet. Eerdere jaren liet ze zich door wat gesputter en de hoge temperaturen nog vrij gemakkelijk overhalen om het toch maar gewoon bij de vaste regelmaat te houden van strandje, zwembad, terrasje en af en toe een tochtje door de omgeving. Maar dit jaar is er geen houden aan en sleept ze ons mee in haar enthousiasme. Naar Lissabon, waar het stedenschoon, de musea en de mondaine winkelcentra nauwelijks in twee dagen te behappen zijn. 300 kilometer ongeveer, dat is te doen over de Portugese snelwegen waar het recente EK Voetballen nog aan af te zien is. De airco van ons kleine huurautootje werkt op volle toeren en houdt het aangenaam. Het landschap bevalt.
Na 150 kilometer vraagt onze zoon zich af of we al halverwege zijn. Dat is een vraag waar je niets mee opschiet, behalve dan dat je weet dat je nog net zo lang moet als je al onderweg bent.
‘Ik moet plassen.’ Dat is al een stuk beter, een sanitaire stop is een mooie gelegenheid voor een kopje koffie en een versnapering.
Naarmate we dichter bij de stad komen stijgt de spanning. We hebben er dan ook al heel wat voorbereiding en voorpret opzitten. Dat begon al thuis in Nederland waar we het Bed and Breakfast via internet besteld hebben, nota bene de dag voor de voetbalwedstrijd Nederland-Portugal; over symboliek gesproken. We hebben de foto’s gezien van grote bedden versierd met authentiek koloniaal houtsnijwerk.
Als de brug van de 24ste of 25ste juli voor ons opdoemt, met aan de rechterhand het enorme Christusbeeld – net zo een als in Rio de Janeiro weet mama, die de gidsen echt helemaal heeft gelezen – dat eerst door de zoon, die het fototoestel nou eenmaal vast had, en daarna door de dochter mag worden gefotografeerd, zijn we zwaar onder de indruk.
Met maar liefst drie plattengronden op haar schoot weet onze reisleidster ons niettemin vrijwel feilloos door het drukke stadsverkeer te gidsen en dan zijn we al op ons voorlopig nieuwe adres.
Slik.
Ons logement bevindt zich boven een rommelige garage in een buurt die zijn beste tijd toch al enkele jaren geleden heeft gehad. Zelfs nog eerder dan de gidsen verschenen, die we hebben bestudeerd. Tegenover het huis staat in een klein plantsoen een laat-middeleeuws kerkje dat weliswaar voorkomt in een van die gidsen, maar dat zijn bezienswaardige heiligdommen hermetisch heeft afgesloten achter dikke tralies. Op elke hoek van het parkje staan twee agenten in vol ornaat. Rechts het Portugees Bureau voor Vreemdelingen en Immigratie, links een ingang van de metro.
Het is nog niet zo lang geleden dat we op de Amsterdamse Zeedijk bij Nam Kee zijn gaan eten, maar hier waren we even niet op voorbereid.
Onze huisbaas blijkt een soort advocaat, de televisie in zijn kantoortje staat loeihard op Cartoon Network. Hij laat ons de houtsnijwerk-bedden zien en wijst ons daarna onze kamer. Boven het geluid van de televisie uit horen we een vrouw schreeuwen en huilen. Hij bezweert ons dat de buurt veilig is, maar we moeten niet te veel geld op zak hebben en om half tien wordt het donker. We proberen ons te vermannen, verstoppen onze kostbaarheden en stappen de hitte van de stad in. In het parkje zet een junk gezellig een shot, de agenten kijken onverstoorbaar de andere kant op.
We pakken voor de deur de stadswandeling op die mama voor ons heeft uitgezocht en na vijf minuten loopt het water ons over de rug. Een soort van kordaat pakken de dan maar de metro naar het Park van de Naties, het Expo-terrein van een paar jaar geleden, met moderne architectuur, airco en een groot winkelcentrum. Daar even bijkomen, afkoelen en later op de dag misschien nog naar Baixa, het oude stadscentrum.
Op een terras, bij vier grote koele glazen, ontstaat een spontaan familieberaad. ‘Wat zullen we doen?’ Het is even stil, alsof we nog even moeten denken, maar dan zeggen we vrijwel tegelijkertijd: ‘We gaan naar huis.’ We zijn als gezin een heel eind gekomen, letterlijk, maar zeker ook figuurlijk. Als het erop aankomt spreiden we ongekende saamhorigheid en eensgezindheid ten toon. Zelfs de kleine zakkenrollertjes in de metro trekken een wenkbrauw op als ze zien bij welk metrostation we uitstappen. We sluipen onze kamer binnen en met onze koffer weer naar buiten. We houden elkaar goed vast, wringen ons door de lange rij wachtenden voor het Immigratiekantoor en verdwijnen als dieven in de nacht, maar dan op klaarlichte dag.
Lissabon is ongetwijfeld een stad van cultuur, stedenschoon en mondaine winkels, maar we zijn aan de verkeerde kant binnengekomen.
Na 150 kilometer vraagt onze zoon of we al halverwege zijn.
‘We zijn bijna thuis, jongen.’
