Een uitgave van mats bv ©

LOSLATEN

Jaargang VII, 38

Maarten en Bob komen dochter en zoon halen om op het schoolplein te gaan fietsen. Maarten zit bij haar in de klas en hij woont een halve straat verder, precies tegenover de school. Hij heeft zijn kleine broertje meegenomen en dus mag haar kleine broertje ook mee om te chaperonnen. Ze komen achterom, want wij zitten in de tuin en hebben het bellen zeker niet gehoord. De kinderen zitten waarschijnlijk ergens op zolder.

'Dat is gezellig,' zegt mijn vrouw en staat op om onze kinderen bij elkaar te zoeken. Daarom ben ik even alleen met mijn gedachten. Hun moeder kan het schoolplein vanuit hun keukenraam weliswaar helemaal overzien, maar waarom zou ze op een zonnige zondagmiddag in de keuken gaan zitten.

Binnen de kortste keren hebben ze hun schoenen aangetrokken en de fietsen uit het schuurtje gewurmd. Daar gaan ze: 'Daag, tot straks en voorzichtig zijn.'

'Voorzichtig zijn, is dat alles?' vraag ik mijn vrouw die ze de hele straat uit heeft nagekeken.

'Ja, je zult ze toch een beetje moeten loslaten.'

'Loslaten? Ze zijn net 7 en bijna 6! Heb je wel verteld van enge mannen en met niemand meegaan?'

'Ik heb gezegd dat ze altijd met z'n vieren moeten blijven en als er een terug wil dat ze dan allemaal moeten komen.'

Dat moet voldoende zijn, maan ik mezelf tot kalmte.

'Toen wij zo oud waren, gingen we ook bij vriendjes spelen,' zet mijn vrouw ongevraagd de discussie voort. Blij dat ze er ook over nadenkt. Die is natuurlijk ook maar half zo stoer als ze zich voordoet.

Blijft alleen nog de vraag of er vroeger meer engerds op straat rondliepen dan tegenwoordig. Waarschijnlijk niet; in elk geval tegenwoordig meer auto's.

Als het al tijd is om ze los te laten, dan komt dat voor mij als vader in elk geval veel te vroeg, ik ben er helemaal niet klaar voor. Ik probeer nog steeds elke dag op tijd thuis te komen om ze tenminste een nachtzoen te geven. Ik denk nog steeds ze te kunnen beschermen tegen spoken en engerds.

Maar dan moet ik wel goed blijven opletten.

Bijna drie kwartier hou ik het uit en dan ga ik kijken. Ze zijn nog bij elkaar op het schoolplein en hebben dikke pret. Ze zien mij ook, maar dat geeft niet, we zwaaien vrolijk naar elkaar.

Nauwelijks drie kwartier later, waarschijnlijk minder, staan ze opeens weer allemaal in de tuin. Mijn vrouw is blijkbaar gaan kijken en heeft ze weer allemaal mee teruggenomen. Nu gaan ze bij ons spelen.

Dat gaat bijna een uur goed en dan horen we aan een serie hoge tonen achter elkaar dat het tijd wordt om te veranderen. Ze gaan weer naar het huis van Maarten om daar verder te spelen.

'Maar jij moet wel meelopen,' zegt Maarten, 'want Bob kan nog niet zo goed fietsen en als hij valt moet iemand hem oprapen.

Tevreden sjok ik achter hen aan de straat uit. Dat loslaten gaat gelukkig heel geleidelijk.