Een uitgave van mats bv ©

MAMA MIA

Jaargang X, 30

Een beetje onwennig en bleekscheterig staan we bij ons vakantiehuis in Portugal. Ook al komen we hier nu voor het derde jaar. Net aangekomen. Kijk, daar is Frits al, de Nederlandse huisbewaarder, die een stukje verder woont. Gelukkig, dan kan de vakantie nu echt beginnen. Een hartelijke handdruk en welkom. Hij ziet er goed uit, met de verkering dus ook alles in orde. Dan meteen maar een gezellig Hollands praatje over het weer. Ach, het weer; breek Frits de bek niet open! Hij kan zich voorstellen dat je zo uit de Nederlandse regen verlangt naar een beetje zon, maar de afgelopen week was het ’s morgens vroeg al vijfenwintig degrees. Het is Frits aan te horen dat hij in een voortdurende staat van vertaling leeft. Víjf-én-twíntíg graden in de ochtend, dat is echt niet lekker meer. Wij grijnzen hem vergenoegd toe, vastbesloten om meteen vanmiddag al eens lekker te verbranden.

‘En die wind,’ vervolgt Frits onverstoorbaar. ‘Minimaal drie keer per week het zwembad stofzuigen, want anders krijg je het zand niet meer van de wanden en kan je gaan borstelen.’

We begrijpen de hint, maar dat hoeven we natuurlijk niet te pikken. We zijn hier nu zoals gezegd voor de derde keer en dat zwembad trekken we op ons fatsoen, dat weet Frits ook.

À propos zwembad, de stok met het netje om bladeren te vissen en sprinkhanen en dergelijke te redden is stuk, lijkt wel gebroken.

‘Ik zie het al,’ zegt Frits, ‘gebroken! Ik zorg wel dat er een nieuwe komt.’

Ik besluit het gewoon te proberen, ‘hoe ging dat ook weer met het stofzuigen Frits?’

Hij doet het zorgvuldig en geduldig voor. De schakelaars van de filter-installatie omzetten op stofzuigen, de slang aansluiten en vol laten lopen met water totdat de luchtbellen aan de andere kant opborrelen. En dan langzaam de zuigermond over de bodem en langs de kanten bewegen. Eerst het ondiepe gedeelte en dan het diepe. Ik kijk aandachtig toe en driekwart van het zwembad is schoon als Frits zich dat realiseert. ‘Zo, nou heb ik het grootste gedeelte gedaan, de rest kun je zeker wel zelf.’ Ik grinnik hem toe met een lach die ik als ontwapenend bedoel.

‘En dan de tuin,’ vervolgt Frits zijn traditionele introductieprogramma, ‘de planten hebben het moeilijk met de hitte en de sproei-installatie is niet helemaal adequaat. Vooral de planten tegen het nieuwe hek hebben extra water nodig. De eigenaar hecht nogal aan haar privacy, het moet zo snel mogelijk dichtgroeien. Als je geen tijd hebt, wil ik wel…’

‘Scheer je weg, Frits!’

Onze vakantie is dus begonnen. Wat ons betreft is privacy een betrekkelijk begrip. De tuinman van de buren, die met enige regelmaat door het hek staat te turen, zullen we waarschijnlijk nooit meer zien en bovendien heeft hij wel eerder een paar perfecte blote lichamen gezien. En in het dorp, waar we later nog bekenden uit onze woonplaats zullen tegenkomen, hebben we gewoon onze kleren aan. Toch proberen we in de hittegolf – zelfs voor Algarve-begrippen – te redden wat er te redden valt. De tomatenplanten zijn niettemin de eerste slachtoffers. Op een avond constateren we dat Frits de schamele resten verwijderd heeft. Zonde van het kostbare water dat we geplengd hebben.

We zwemmen, maken bommetjes, gaan naar het strand, besluiten dat we nooit meer gaan eten bij het restaurantje dat we ooit nog zelf ontdekt hebben, omdat ze zichzelf willen opwaarderen, ontdekken nieuwe restaurantjes en bereiden ons ondertussen onder aanvoering van mama voor op wat het hoogtepunt van deze vakantie moet worden: ons tweedaagse bezoek aan Lissabon. Bij de thee en de middagborrel met chips beleven we voorpret met de plattegrond van de stad en gidsen over bezienswaardigheden. Mama stippelt routes uit. Het bed-‘n’-breakfast is thuis al besteld. Via internet maar liefst. Ziet er nostalgisch uit en toch gezellig.

We weten dan nog niet wat ons te wachten staat.

Onze zoon krijgt zijn inmiddels traditionele oorontsteking en zijn zus even later ook. We weten de arts en de apotheek inmiddels goed te vinden. Pijnlijk voor de kinderen, lastig en vervelend, maar het is nog niets vergeleken met Lissabon.

Als het ergste oor-ongemak is wegverwend, gaan we op excursie naar Monchique in de bergen in het achterland. Naar de bronnen waar het water uit onze supermarkt vandaan komt en naar een rommelmarkt die wel in de plaatselijke pers is aangekondigd maar die we nooit zullen vinden. Op de heenweg zien we een pluimpje rook in de heuvels aan de horizon, op de terugweg staat de hele heuvelrug in brand. Langs de weg staan groepjes Portugezen met ernstige gezichten naar de horizon te kijken, helikopters en blusvliegtuigen scheren over onze hoofden. We ruiken de brand. Dit is erg, veel erger dan wat ons in Lissabon zal overkomen.

Als we de volgende dag op een terras willen eten, moeten we onder een parasol schuilen voor de asregen die de wind uit Monchique brengt.

Het is angstig, als Pompeï, maar de ober van pizzeria Mama Mia houdt de moed erin.

De volgende dag zullen we naar Lissabon gaan.