Een uitgave van mats bv ©
MEEDOEN
Jaargang IX, 29
Er wordt een avondvierdaagse gelopen en wij doen mee. Natuurlijk doen wij mee. Er kan in de verre omgeving van onze kinderen, ons dorp of de school van onze kinderen geen activiteit worden georganiseerd, of wij doen mee. Ik denk wel eens, waarom moeten wij altijd meedoen. Maar als we dan meedoen, zien we altijd dezelfde mensen en kinderen die ook weer meedoen. Dan wordt het meestal toch wel weer gezellig en dan zeggen we de volgende keer tegen elkaar, laten we maar weer meedoen, want iedereen doet mee. Het omgekeerde gebeurt ook wel eens. Dan doet niemand mee, behalve wij, omdat het anders zo zielig is voor de organisatoren dat er helemaal niemand meedoet. Of het ook wel eens gebeurt dat iedereen meedoet, behalve wij, kan ik niet beoordelen, want, zoals gezegd, wij doen altijd mee. Bij een avondvierdaagse gaat het trouwens om het meedoen, want er valt niets te winnen. Je krijgt alleen een medaille ter herinnering dat je hebt meegedaan. Het valt nog niet mee om mijn zoon uit te leggen dat je ook niets wint als je flink doorstapt en als eerste aankomt. De vraag waarom we dan in vredesnaam meedoen, ligt op zijn lippen bestorven, maar hij stelt hem niet want hij weet uit ervaring ook wel dat wij tóch altijd meedoen.
Omdat het avondvierdaagse is, regent het. En niet zo'n beetje, het regent pijpenstelen. Het zou mij logisch lijken om het evenement dan maar een jaartje uit te stellen, maar er is geen logica aan avondvierdaagsen. Het is verbazingwekkend om te zien wat Nederland nog aan zeilkleding en regenpakken in de kast heeft liggen. Ook mijn vrouw en kinderen blijken in de kraag van hun jacks capuchons verstopt te hebben. Dat is natuurlijk geen gezicht, zeker als je de touwtjes ook nog eens strak aantrekt, maar het is wel effectief. Omdat ik zelf normaal gesproken alleen buiten kom als het droog is, heb ik geen jack met capuchon en moet ik me behelpen met een krakkemikkige opvouwbare paraplu. Nog voordat we zijn gestart voel ik het eerste straaltje water via de kraag van mijn modieuze leren jack in mijn nek lopen. We vertrekken allemaal tegelijk, zodat we de eerste paar honderd meter voortdurend op elkaars hakken trappen. De zoon blijft bij mij in de buurt omdat daar de rugzak met versnaperingen ook is. Na 200 meter wil hij graag weten hoeveel kilometer we al gelopen hebben. Zijn zus loopt een stukje verder al beppend en kleppend met een groepje vriendinnen. Als de meegebrachte broodjes op zijn, verdwijnt de jongen ook in de menigte met een paar vrienden. Halverwege de route dringt het tot me door dat de organisatie stevig gelogen heeft over de afstand, we lopen veel meer dan de beloofde vijf kilometer.
En het ergste is nog wel dat ik waarschijnlijk niet eens een medaille krijg. Want morgen kan ik helaas niet meelopen, dan moet ik de route uitstippelen voor een tocht met klassieke auto's, waaraan we natuurlijk ook weer meedoen.
