Een uitgave van mats bv ©

MOKKA

Jaargang X, 46

Toen we op zaterdagochtend van huis vertrokken, mijn dochter en ik, was er nog geen vuiltje aan de lucht. Niemand kon bevroeden hoezeer deze dag ons rustige leventje zou veranderen. We hadden van mijn vrouw een paar duidelijke opdrachten meegekregen: eerst de grote fuchsia naar de winterstalling en dan wat onbespoten en langzaam gegroeide groenten kopen bij de biologisch dynamische tuinderij.

Dat van die fuchsia en de winterstalling moet ik misschien even uitleggen. Als kleinzoon van een boer heb ik natuurlijk ook de wenkbrauwen gefronst over die stadse fratsen. Maar het is nu eenmaal een feit dat de fuchsia bij ons buiten kapotvriest en binnen verdroogt en bij de tuinder waar hij vandaan komt in de kas lekker verwend wordt en dus overleeft. Bovendien is het nog net even goedkoper om een staanplaats te huren dan elk jaar een nieuwe kopen. De moderne boer is ook niet op zijn achterhoofd gevallen. Overigens is mij niet bekend of de tuinder ook bezoekuren organiseert in de winter. Ik zal hem het idee aan de hand doen, misschien nog een gaatje in de markt, na de boerderijzuivel.

Het is deze zaterdagochtend een komen en gaan van stedelingen die van Piet Paulusma hebben gehoord dat het wel eens zou kunnen gaan vriezen en dus hun peperdure planten in veiligheid willen brengen, zodat we even de tijd hebben om rond te kijken. Hadden we dat maar nooit gedaan!

‘O papa, kijk dáár!’ Een eigenwijs babypoesje zit opzichtig te sjansen met mijn dochter.

Dan is er nog niets aan de hand. Wij hebben onze kinderen diervriendelijk opgevoed, dus er mag even geaaid worden.

Van wat er daarna gebeurd is, kan ik me niet veel herinneren. Ik schijn aan de uiterst vriendelijke kweker gevraagd te hebben of er nog meer kleine poesjes in dat nest waren. Nou, inderdáád. Eén rommelig, hyena-achtig gevlekt poesje had nog geen liefderijk gezin gevonden. Hoogstwaarschijnlijk ben ik toen verdoofd en ingepakt door de allerverblindendste glimlach van mijn dochter. Ik moet nog de tegenwoordigheid van geest hebben gehad om te zeggen ‘alleen als mama het goed vindt’ maar vervolgens heb ik met haar afgesproken dat we mama en haar broertje zouden verrassen.

Hoe heb ik ooit kunnen denken of hopen dat mijn vrouw, ontvoerd met onbekende verrassingsbestemming, die ter plekke aangekomen de ogen stijf moet dichtdoen en dan een klein, pluizig, koffie-met-melk-gekleurd poesje in haar amen gedrukt krijgt, dat poesje ooit weer zal loslaten. Het nablijvertje, chocolade-met-mokka-ijs gespikkeld, had zijn liefdevolle gezin gevonden.

‘Dan moet je hem mij ook niet laten zien.’ Zo’n klein hartje.

De volgende dag zijn we haar al kwijt. We hadden het kattenluikje welzeker dichtgedaan, maar daarbij geen rekening gehouden met het lieftallige ex-katertje dat ook nog bij ons rondloopt. Die laat zich niet opsluiten en forceert met bruut geweld het extra zware luik. De kleine erachteraan.

Kwijt!

‘En we kunnen haar niet roepen want ze kent haar naam nog niet goed.’

Later op de dag vinden we Mokka terug in de heg naast het huis, waar ze aan haar voorpootjes hang te piepen.

En dat was pas dag één.