Een uitgave van mats bv ©

NAAR HET STADION

Jaargang X, 13

Het moest er een keer van komen en dit weekend is het dan gebeurd. Ik ben voor het eerst met mijn zoon naar het voetbalstadion geweest. Een hoogtepunt en een mijlpaal.

Een actieve voetbalcarrière voor mijn zoon heb ik al in een vroeg stadium uit mijn hoofd moeten zetten. Net als ikzelf heeft hij weinig aanleg en net als ikzelf krijgt hij het niet bepaald met de paplepel ingegoten. Net als zijn vader vroeger wordt hij op het schoolplein vaak in het doel opgesteld, maar als ik hem wel eens blijmoedig hoor vertellen over het aantal doelpunten dat hem om de oren is gevlogen, betwijfel ik of hij daar wel de juiste gedrevenheid voor heeft.

Overigens betekent dat niet dat ik nooit een nat pak zal halen langs de zijlijn op een veel te vroege zaterdag- of zondagmorgen, waarmee, zoals bekend, alle vaders door alle moeders worden gestraft voor de vele voetbalwedstrijden op de televisie. Want mijn vrouw heeft hem opgegeven voor hockey.

Hockey? Jazeker, hockey.

Wij wonen nou eenmaal in dat soort contreien en het is tenslotte ook een teamsport, goed voor de conditie en ze hebben er keepers voor nodig. Ik denk trouwens dat mijn zoon zijn hoop heeft gevestigd op de wachtlijst, want inmiddels is hij ook al een jaar of vier ingeschreven voor judo.

Praktisch mogen we dan niet veel voorstellen, theoretisch zijn we ijzersterk. Bij ons op de bank voor de televisie zijn de vlijmscherpe analyses en kritische commentaren niet van de lucht. En ikzelf mag graag nu en dan naar het stadion gaan om vanaf de tribune mijn cluppie luidkeels aan te moedigen en de scheidsrechter te ..eh..assisteren.

Mijn vrouw had al een paar keer voorgesteld om hem eens mee te nemen en dit weekend deed zich een mooie gelegenheid voor. Een zakenrelatie had wat goed te maken en bood me twee kaarten aan. Prima zitplaatsen op de eretribune, thuis opgehaald en tot bij de hoofdingang gebracht, vóór de wedstrijd, in de pauze en achteraf goed van eten en drinken en toch aarzelden we hevig om de vriendelijke uitnodiging aan te nemen. Alles goed, behalve de club. Wij liefhebbers delen de vaderlandse competitie als volgt overzichtelijk in. Eerst en vooral is daar onze club, die gewoon altijd moet winnen en zo niet, het slachtoffer is van scheidsrechterlijke dwalingen. Dan is er een aantal clubs die mee mogen voetballen omdat je nu eenmaal een competitie moet hebben om kampioen te worden en tenslotte zijn er twee of drie clubs die elk seizoen zo verpletterend mogelijk verslagen dienen te worden. Tot die laatste categorie behoorde de club die wij gingen bezoeken. Niet helemaal zonder gevaar, want op zijn laatst in de tweede helft zouden wij op de verkeerde eretribune partij gaan kiezen voor de verkeerde club.

We hebben natuurlijk een heerlijke vader-en-zoon-middag gehad, daar in dat verkeerde stadion; niet in de laatste plaats omdat de speaker de royale overwinning van onze eigen club ruiterlijk omriep. Díe ruime uitslag was op het schoolplein de volgende dag het onderwerp van het gesprek en over de beroerde wedstrijd die wij ‘live’ gezien hadden, sprak niemand.

‘En wat heb jij verteld,’ vraag ik mijn zoon.

‘Dat we naar een voetbalwedstrijd zijn geweest,’ zegt hij.

Binnenkort moeten we echt naar het goede stadion en volgend seizoen misschien zelfs een seizoenskaart.

Als het hockey het toelaat natuurlijk.