Een uitgave van mats bv ©

ONGELUKKIG

Jaargang XI, 9

‘Dierbare echtgenote kom eens bij me zitten, ik moet met je praten.’

‘Dat kan nu even niet, ik ben net de voorraadkast helemaal aan het schoonmaken.’

‘Dat komt goed uit, want daar gaat het nou net over.’

‘Wou je me soms helpen? Wat lief!’

‘Lieve schat, op het aalgladde pad van de humor zijn grotere geesten dan jij uitgegleden. Laat het sarcasme nou maar aan mannie over.’

‘Ok, ok, jij zet een kopje thee en dan kom ik naast je zitten.’

‘Ik heb een gewetensvraag voor je: word jij gelukkig van het huishouden?’

‘Niet speciaal nee, waarom vraag je dat?’

‘Laat ik het anders vragen: word jij ongelukkig van het huishouden?’

‘Ook niet. Ik word niets van het huishouden. Hooguit tevreden als ik de voorraadkast heb opgeruimd en alles er weer netjes bijstaat. Of als ik de hele was heb weggestreken.’

‘Kennen wij in onze omgeving iemand, man of vrouw of iets daartussenin, die gelukkig of ongelukkig wordt van het huishouden.’

‘Ik geef het op. Zeg wat je wil zeggen, dan kan ik weer aan mijn huishoudelijke taken.’

‘Ik zou het je zelfs nog sterker willen vragen. Die mensen hier aan het eind van de straat, die in die villa met al dat personeel, die dus zelf geen hand hoeven uit te steken in het huishouden, denk je dat die gelukkiger of ongelukkiger zijn dan wij?’

‘Ik denk niet dat het huishouden daar wat mee te maken heeft. Het was een heerlijk kopje thee schat en we hebben even leuk gepraat, maar als je het niet erg vindt…’

‘Nee, zitten blijven. Ik moet dit even van me afpraten. Ik lees vanmorgen in de krant dat mannen niet gelukkig worden van het huishouden. Uitkomst van een wetenschappelijk onderzoek, ik dacht van de universiteit van Wageningen. Aan de probleemstelling te zien het onderzoek van een vrouwelijk wetenschapper, maar daar wil ik even vanaf wezen. En blijkbaar ben ik niet de enige die het niet helemaal gelezen heeft, want ik hoor zojuist op de televisie dat mannen óngelukkig worden van het huishouden. Dat noemen wij journalisten tendentieuze berichtgeving. In de eerste plaats word je nog niet ongelukkig van het huishouden als je er niet gelukkig van wordt, het huishouden kan je ook gewoon koud laten. In de tweede plaats geldt die constatering natuurlijk net zo goed voor vrouwen als voor mannen.’

‘Zeker schat.’

‘Bovendien is zo’n constatering net zo denigrerend voor vrouwen als voor mannen.’

‘Dat kun je vast uitleggen.’

‘Dat stond er namelijk bij. Vrouwen vragen zich niet af of ze gelukkig of ongelukkig van het huishouden worden, die hebben hun taken blijkbaar gewoon geaccepteerd.’

‘Dat klopt natuurlijk.’

‘Kennen wij in onze vriendenkring dan één vrouw die zich bij de taakverdeling in het gezin afvraagt of manlief misschien ongelukkig wordt van het een of ander?’

‘Eh…’

‘Jijzelf dan. Vraag jij je dat af? Hebben wij de taken niet gewoon min of meer eerlijk verdeeld?’

‘Inderdaad, min of meer.’

‘Ik word er zo moe van. Eerst die campagne: ‘Wie is die man die op zondag het vlees komt snijden?’ Nou dat is gewoon dezelfde man die het vlees zojuist heeft gebraden. Papa namelijk. En nou dit weer. Ik ga maar eens een ingezonden brief schrijven namens alle geëmancipeerde mannen van Nederland.’

‘Dat moet je zeker doen. Zo dan ga ik weer verder met mijn voorraadkast. Pardon, ónze voorraadkast. Kun jij me misschien even de spullen aangeven van de aanrecht?’

‘Nee, ik moet nog een stukje tikken. Iemand zal toch de kost moeten verdienen.’

‘….?’

‘Grapje!’