Een uitgave van mats bv ©

OPA

Jaargang XII, 26

Waarschijnlijk is het een vorm van ouderzelfverdediging dat je gaandeweg het opgroeien van je kinderen afleert om je af te vragen of je het allemaal wel goed doet in de opvoeding. Natuurlijk blijf je twijfels houden, vooral omdat je het zo verschrikkelijk graag goed doet en omdat je nou eenmaal de verantwoordelijkheid hebt voor de toekomst en hopelijk het geluk van die van jou. Maar allengs groeit het besef dat je toch niet alles kunt helpen. Of, zoals mijn moeder altijd zegt: ‘Je bent de hele tijd bezig om kiezelsteentjes op hun pad op te ruimen en dan struikelen ze over een brik.’ Een brik, overigens, is goed Limburgs voor een grote steen of baksteen.

Wij troosten ons in moeilijk dagen met de gedachte dat we vol overtuiging doen wat we kunnen. Met dien verstande dat ik het vooral van de improvisatie moet hebben en dat mijn vrouw de theorie er nog wel eens op wil naslaan. Zij mag graag zeggen dat zij dus ook een stuk consequenter is dan ik, maar dat is maar de halve waarheid. De hele waarheid is dat zij zich juist laat inpakken op de vrij zeldzame momenten dat ik de neiging heb om voet bij stuk te houden. Klinkt toch, dacht ik, als een heel normaal gezin.

En net als alle andere normale ouders, willen wij af en toe de bevestiging dat het allemaal een beetje goed valt, wat je zo bij elkaar opvoedt. En soms krijgen we dat gelukkig ook. Zoals onlangs toen wij een baby te logeren hadden. In de zomervakantie past mijn vrouw, een soort zelfbenoemd buurtburgemeester, her en der op kamerplanten, op het konijn Kees, op de post van de buren, dus waarom niet ook op de baby van een collega.

Omdat er bepaalde overeenkomsten zijn tussen onze ex-kater Blanco en mijzelf, waar ik nu en nooit niet verder op wil ingaan, dacht ik dat het niet al te veel kwaad zou kunnen; hoewel algemeen bekend is dat dat soort oppasbeurten de hormonen nog wel eens danig door elkaar willen schudden. Van gezinsuitbreiding zal het bij ons zo snel niet meer komen. Kinderen, noch katten, noch kippen, noch chihuahua’s, noch cavia’s. De laatste toevoegingen zijn uiteraard bedoeld voor interne meelezers. Vol is vol.

Niettemin valt het ons allemaal op dat mama helemaal opgaat in haar rol van oppasmoeder. Daarbij dient wel te worden aangetekend dat het een buitengewoon leuk, zoet jongetjes-baby’tje was. Leif heet-ie, zo’n echt klein versierdertje.

‘Je moeder zou nog wel een baby willen, geloof ik,’ zeg ik tegen mijn dochter, terwijl we het tafereeltje gadeslaan.

‘Maar dat zit er toch echt niet meer in.’ Over dat soort dingen doen wij bij ons thuis al jaren niet meer stiekem.

‘En jij dan papa?’ vraagt mijn dochter.

Ik ben op mijn hoede. ‘Ik moet er niet aan denken’ zou misschien niet al te sympathiek overkomen.

‘Och,’zeg ik, zo langs mijn neus weg mogelijk, ‘zo’n klein baby’tje is natuurlijk wel schattig. Misschien word ik later nog wel eens opa.’

‘O, maar dat word je wel hoor papa, als het aan mij ligt tenminste.’

Achteraf heb ik bedacht dat we dat uit de mond van onze bijna puberende dochter best als een compliment mogen beschouwen.