Een uitgave van mats bv ©

OPERATIE

Jaargang X, 42

Woensdagochtend. Ik zit rustig naar mijn computer te kijken en te wachten op inspiratie. Dan belt een mevrouw van het ziekenhuis met de mededeling dat mevrouw Heffels vanmiddag nog kan komen. Eerst een paar gebruikelijke onderzoekjes en dan kan ze morgen geopereerd worden.

‘Dacht het niet,’ zeg ik hartelijk tegen de mevrouw. In een gezin met twee schoolgaande kinderen, kun je niet van de ene op de andere dag de moeder oproepen. Zelfs niet als er een min of meer geëmancipeerde vader in huis is. Daar moeten wij ons emotioneel en organisatorisch op voorbereiden. De mevrouw kan zich daar iets bij voorstellen.

‘Toch maar wél,’ zegt mijn vrouw als ik haar op haar werk bel, ‘ik kan het maar achter de rug hebben.’ Wat op zich nog wel een leuke woordspeling is omdat we het hebben over een serieuze rug-operatie.

En zo kan het gebeuren dat we op woensdagavond een beetje beteuterd met z´n drieën achter ons bordje met eten zitten. Bloemkool, tartaartje en aardappelen. Dat was er nog, want dat zouden we zelf nooit hebben uitgezocht. Mijn zoon, die normaal toch zelden een gebrek aan eetlust heeft, blieft niet, hij voelt zich niet lekker en wil geheel vrijwillig naar bed. Zijn zus heeft het de volgende ochtend pas moeilijk, zogenaamd omdat ze denkt dat ik niet op tijd schone kleren klaarleg, cornflakes klaarzet en boterhammetjes smeer voor tussen de middag. Natuurlijk ben ik wel op tijd, alleen het scheren schiet erbij in. Maar een stoppelbaard past wel bij een man in mijn positie.

We doen boodschappen en we koken, maar natuurlijk niet elke dag verse groenten. En als het Nederlands elftal speelt, bestellen we gewoon pizza bij de pizzakoerier. We doen de was, we strijken en we stofzuigen. En de kippen en de kat en de tuin.

Maar we klagen niet, want wij voelen niks en we liggen niet moederziel alleen in een akelig ziekenhuis. En tussendoor belt de halve stad om te vragen hoe het met haar gaat. Van werken komt even niks meer, want we hebben onze volledige concentratie nodig om dit huishouden draaiende te houden. En enigszins beschaamd moet ik constateren dat dat vooral komt omdat ik de laatste tijd toch wel erg weinig geoefend heb. Omdat het schoolplein weet dat ik dit op mijn fatsoen trek, wordt me opvallend weinig hulp aangeboden en de moeder die even uit haar rol schiet en vraagt of ze toch écht niks kan doen, is ook meteen de klos. Jazeker kan ze helpen, ik heb nog een paar manden met wasgoed te strijken, het huis moet dringend gestofzuigd en de afwas stapelt zich op. We worden verder met rust gelaten en dat is goed.

Alle clubjes en verjaardagsfeestjes gaan gewoon door, we maken huiswerk, oefenen braaf piano, maken nauwelijks ruzie en zorgen dat we met ons opgewektste gezicht naar bezoekuur gaan. Het geeft ons eigenlijk wel een mooi gevoel van saamhorigheid. Vanuit het ziekenhuis blijft het stil, want er mag niet met mobiele telefoons worden gebeld.

Donderdag geen operatie omdat er een spoedgeval tussendoor komt, maar vrijdag opeens een telefoontje dat ze al in de operatiekamer ligt. Ik ben net de afwasmachine aan het uitruimen en laat de slakom uit mijn handen kletteren, vervolgens doe ik de witte en bonte was tegelijk in de machine en laat ik de fluitketel met theewater droog koken. Alsof ik zelf het mes voel snijden.

Vanmiddag heb ik haar opgehaald en nou ligt ze gewoon weer in ons eigen bed. Voorlopig mag ze nog niets en kan ze nog niets. Ik doe nog steeds de boodschappen, de cornflakes, de was, het eten, de kat, maar ik hoef er niet meer bij na te denken. Ik word vanuit de echtelijke sponde georganiseerd, gestuurd en gecommandeerd.

Alles is alweer bijna gewoon.