Een uitgave van mats bv ©

OPSCHEPPEN

Jaargang X, 39

Misschien kan ik het maar beter toegeven, ik ben een opschepper. Of laat ik het beter formuleren: ik zou graag een opschepper zijn, maar ik heb van mijn vrouw geleerd dat het niet altijd even handig is. Daarom doe ik het de laatste tijd ook niet zoveel meer; eigenlijk alleen thuis tegen mijn vrouw, die daarna natuurlijk op haar beurt ook een potje mag opscheppen.

Waarover we dan zo graag opscheppen?

Niet hoe groot en vrijstaand onze villa is of hoe duur onze auto’s, of beter onze limousines, of hoe riant onze salarissen zijn. Maar over de kinderen. Zo knap, slim en lief als die van ons, zijn er niet veel. Behalve soms.

Deze week waren we op verjaardagsvisite. Namiddagborrel.

We zijn met z’n drieën, want de dochter was niet lekker. Die mag alleen thuisblijven omdat het maar twee straten verder is en omdat mijn vrouw om het uur, drie kwartier, half uur gaat kijken en na de derde keer helemaal niet meer terugkomt. We lijken wel vier kleine negertjes, maar toen waren er alleen nog mijn zoon en ik en eerstgenoemde was nergens te bekennen.

Ik had een goede plek aan tafel, precies tussen de mannen en vrouwen in. Een beetje van twee walletjes, ik praat graag stoer met mannen en voer graag gesprekken met vrouwen. Moet ergens wel te maken hebben met mijn opvoeding met drie zussen. Op deze plaats kon ik bovendien beide kanten laten denken dat ik met de andere kant in gesprek was, zodat ik tussendoor eens rustig rond kon kijken. Vaders en moeders allemaal, met kinderen van net wat andere jaargangen dan die van ons. Naast me hoor ik de moeders over de problemen en probleempjes van de opvoeding. Sommige van die probleempjes ken ik wel, andere niet. Maar ik zou ze liever snel vergeten en er zeker niet over praten op een verjaardagspartijtje. Dat is mijn mannenkant. Ik zou liever opscheppen over de dingen die wél goed gaan, dat zijn er volgens mij veel meer, maar dat vindt mijn vrouw zoals gezegd niet altijd even handig, en als ze er geweest was, zou ze dit zeker zo’n moment hebben gevonden. En dat zou ze me ook hebben laten merken door een lichte scheenbeweging. Dus ik zeg niks en knik af en toe schijnheilig.

Maar dat is al te veel. ‘Wacht jij maar af,’ zegt mijn buurvrouw in een onverhoedse aanval vanuit de flank, ‘dat staat jou nog allemaal te wachten. Trouwens, je zult ook wel je probleempjes hebben.’

Ik bijt m’n tong bijna af.

‘Ik heb helemaal geen probleempjes,’ had ik moeten zeggen. ‘We hebben elkaar, zijn gezond en hebben geen zorgen. En daar zijn we niet trots op, maar wel heel gelukkig mee. Niet opscheppen is één ding, maar ik ga me er ook niet voor verontschuldigen.’

We blijven niet lang meer, mijn zoon en ik.

Misschien geef ik wel een vreemd antwoord, als mijn vrouw vraagt of het nog gezellig is geworden.

‘Heb je nog met juf gesproken over hoe het gaat met de jongen op school?’

Even lekker opscheppen.