Een uitgave van mats bv ©
OPVOEDEN
Jaargang IX, 42
Opvoeden kun je ook overdrijven, zeggen wij wel eens tegen elkaar. Aan het begin van onze opvoedcarrière, toen onze dochter net geboren was, las mijn vrouw wel eens een boek over het onderwerp en nam dat vervolgens met mij door, waarna we het samen uitprobeerden op onze eerstgeborene. Daar zijn we spoedig mee opgehouden omdat we erachter kwamen dat de voorbeelden niet op ons sloegen. Toen zijn we zelf het wiel gaan uitvinden en uiteindelijk zijn we tot de conclusie gekomen dat je het tot een minimum moet beperken, dat het eigenlijk altijd tussen de bedrijven door gaat - of nooit ophoudt, het is maar hoe je het bekijkt - en dat ‘omdat ik het zeg' en 'dáárom' twee hele goede redenen zijn. Vooral ook geen voortdurende voorstelling van maken, van dat opvoeden, veel te vermoeiend voor ouder en kind en tegelijk accepteren dat de school, de vriendjes en het jeugdjournaal mee-opvoeden. Dan hoef je je ook niet voortdurend schuldig te voelen als je eens te zeer verdiept bent in ochtendhumeur of krant om op alle vragen antwoord te geven. Je streeft naar een goed cijfer als opvoeder, maar je moet tevreden zijn als je aan een voldoende komt, of, in het geval van mijn echtgenote, aan een ruim voldoende. Zo deden onze ouders het ook en zo zijn we zelf tenslotte ook groot geworden; we hebben het overleefd, zijn uit de gevangenis gebleven en hebben allebei een leuke partner gevonden.
'Wat is lesbisch eigenlijk?' Zo maar een voorbeeld van een vraag tussen een boterham met leverworst en hazelnootpasta in. Hoort eigenlijk thuis in een evenwichtig verhaal over seksualiteit, maar daar zijn we nog pas schoorvoetend aan begonnen. Aan de andere kant is dit nou typisch een onderwerp dat beter eerst thuis aan de lunchtafel besproken kan worden dan op het schoolplein.
'Geef mij de kaasschaaf eens aan,' probeer ik nog, maar mijn vrouw wil het best wel even uitleggen.
'Dat is als een vrouw meer van vrouwen houdt dan van mannen. En dan heeft ze ook vaak een vrouwelijke partner.'
'Hoe bedoel je, partner,' vraagt mijn dochter, terwijl ze het allemaal even op zich laat inwerken, een denkfrons tussen de wenkbrauwen.
'Een vrouw getrouwd met een vrouw,' legt mijn vrouw nog eens heel duidelijk uit.
'Mevrouw mijn echtgenoot,' zegt de zoon half als grap en half om te laten horen dat hij het goed begrepen heeft. De dochter knikt, ze begrijpt het of ze heeft in elk geval nu niet meer uitleg nodig. Even zien we het nog malen in haar hoofd en dan sluit ze het onderwerp voor zichzelf af: wenkbrauwen omhoog, frons verdwijnt. Niks bijzonders eigenlijk, zien we haar denken, moet kunnen. En anders komen we er later nog eens uitgebreid op terug. Ze geeft alsnog de kaasschaaf door.
Daar zijn we sneller mee klaar dan de politiek en de publieke opinie, denk ik nog.
