Een uitgave van mats bv ©

PARIJS EN TERUG

Jaargang XI, 15

Vorige week heb ik u een beeld geschetst van de aanloop naar ons weekendje Parijs. Zo rampzalig dat een normaal bijgelovig mens gewoon thuis zou zijn gebleven om het lot niet te tarten. Wij niet, wij zijn gewoon gegaan.

Overigens mét een noodpaspoort à raison van € 38,93 voor twee weken. Gelukkig weet ik dat de Nederlandse ambassadeur in Frankrijk mijn gezin en mij namens de Nederlandse Staat liefdevol zal opvangen en verzorgen voor al dat geld, mocht ons iets overkomen. Een Reis- en Kredietbrief van de ANWB is trouwens nog duurder. Die hebben we dan ook niet, want de kans dat ik binnen één week drie keer op een paaltje knal, is statistisch te verwaarlozen.

Achteraf bleek het eigenlijk een fluitje van een cent om zo’n reisdocument de bemachtigen; dat zal de maken hebben met het feit dat ik er buitengewoon betrouwbaar en onterroristisch uitzie. Voor dag en dauw was ik op de afdeling Burgerzaken van het Stadhuis, maar dan blijken er toch altijd een paar mensen in een slaapzak voor het gebouw de nacht te hebben doorgebracht, want ik was nummer 6. Met zulke tarieven kan de gemeente zich echter ook flink wat ambtenaren veroorloven, dus ik was snel aan te beurt. En hoewel ik op Schiphol een hele langzame marechaussee trof, was ik al rond de middag weer thuis met mijn roze noodboekje. Een halve dag inkomstenderving heb ik maar even niet meegerekend.

Persoonlijk had ik wel voor een andere kleur dan zachtroze gekozen, dat vind ik tegenover een Franse gendarme toch niet erg geloofwaardig overkomen. Helaas bleek er overigens geen enkele Parijse agent of Franse douanier geïnteresseerd in mijn dure paspoort. Dat zou, met ons geluk, ongetwijfeld anders zijn geweest als we het risico hadden genomen.

Om 7 uur waren we onderweg, en dat is echt heel redelijk, het was zelfs al licht. Mijn vrouw wordt duidelijk soepeler naarmate ons huwelijk vordert.

Onderweg gaat de voorpret gewoon door.

In plaats van ‘ik zie, ik zie wat jij niet ziet’ vraagt mijn vrouw zich hardop af wat we allemaal zullen gaan eten in Parijs.

‘Hamburgers’, zegt mijn zoon, als altijd zeer geïnteresseerd in dat onderwerp.

Als mijn vrouw eens diep zucht en ademhaalt om een stukje opvoedkundige voedingsleer ten beste te geven, haak ik snel in met een grap, omdat ik weet dat ik ook een veeg uit de pan krijg als het over eetgewoonten gaat. Ik namelijk ook gek op hamburgers en mijn vrouw valt op slanke mannen.

‘Nee jongen, we gaan naar Frankrijk, dan eet je geen hámburgers, maar hamburgérs.’

Mijn dochter krijgt een hevige toeval van de slappe lach, die papa toch.

Later dat weekend zal ze helemaal niet meer bijkomen als ik inderdaad ‘deux hambourguèrs’ bestel en de garçon vertrekt geen spier. Het wordt veel ingewikkelder als we ‘petits pommes frites Françaises’ bestellen, hetgeen heel correct Frans is voor Franse frietjes en we snappen dan ook niet helemaal waarom het dit keer de beurt is aan de ober om de slappe lach te krijgen. Bovendien heeft hij het niet begrepen, want hij brengt van die dikke Vlaamse frieten, ‘pommes frites Flamandes’. Avec mayonaise, dat dan weer wel.

Behalve van culinaire hoogtepunten, hebben we natuurlijk ook cultuur genoten. We hebben de Notre Dame beklommen, waar onze zoon nog aan de klok is gaan hangen zoals Quasimodo. We zijn zelfs in het Louvre geweest, voor alle hoogtepunten. En tussendoor nog tijd gevonden voor etalages en de ‘eau de toilette’ die papa vroeger droeg toen mama verliefd op hem werd en die nu, na al die jaren, alleen nog maar te koop is bij het hoofdkantoor in Parijs.

Terug naar huis wordt op de achterbank geconstateerd dat het veel te kort was en dat het toch lijkt alsof we heel lang zijn weggeweest.

Dat zijn de beste.