Een uitgave van mats bv ©
PIANOLES
Jaargang VIII, 14
Mijn zoon zit opeens op pianoles. Dat is helemaal niet zielig, dat gebeurt bij ons gewoon op vrijwillige basis. Alleen sport is verplicht. Het hele gezin tennist in meerdere of mindere mate, dat is het minimum; en wat de zoon en mijzelf betreft, blijft het daar ook bij. Ik kom daarmee weg, want ik ben al groot en bovendien eigenwijs, maar hij moet nog gewoon naar zijn moeder luisteren. Daarom staat hij ook op de wachtlijst voor judo. Dat is een compromis tussen mijn zoon en mijn vrouw. Beiden vinden judo een stoere sport en goed voor dat grote lijf van mijn zoon en beiden hebben geen probleem met de wachtlijst. Hij niet omdat een wachtlijst betekent dat je voorlopig nog niet hoeft, zij niet omdat de wachtlijst nog even wat lucht geeft in het drukke taxirooster. Want onze dochter zit nog steeds op ballet. En daar wordt ze al sinds jaar en dag door mijn blijmoedige echtgenote en een mopperend broertje naar toe gebracht. Ook geheel vrijwillig. Telkens als er weer een vriendinnetje stopte, gaven we haar de gelegenheid om ook af te haken. Maar dat wil ze niet. Ze houdt vol met een hardnekkigheid die ook haar vader zo kenmerkt, maar dan niet in sport.
En nu gaan we dus, zoals gezegd geheel vrijwillig, in muziek. Piano nog wel.
Ik zie het meteen helemaal voor me: van die genoeglijke familieavondjes, zoon op de piano, ik op de elektrische gitaar, dochter op viool of harp en mamma niet op zang.
'Ik wil helemaal geen viool en zeker geen harp,' chagrijnt dochter-lief meteen. 'En ook geen piano,' voegt ze er vlug aan toe, voordat ik dat kan opperen.
'En die grappen over mijn zangkunst kennen we inmiddels wel,' laat mijn vrouw zich van haar vrolijkste kant zien.
Dan niet, het zal de muzikale carrière van mijn zoon niet in de weg staan.
Ik heb het bij een vriend zien gebeuren. Ook zijn zoon werd zonder al te veel fiducie op pianoles gestuurd en die zie ik nou regelmatig haast achteloos achter de piano kruipen om een swingende boogie woogie neer te zetten. Zo had ik het me ook altijd voorgesteld tussen mij en mijn elektrische gitaar. Dat je zo'n instrument beheerst als je gemoedstoestand. Dat je op een zwoele zomeravond gevoelvol en romantisch kunt tokkelen op de veranda en op andere dagen je agressie kunt afreageren door het instrument snoeihard door de buurt te laten gillen en snerpen. Alleen dat laatste lukt me enigszins, het eerste heeft mijn gitaar nooit voor elkaar gekregen.
Mijn vriend begrijpt me wel en belooft op veilingen uit te zullen kijken naar een geschikte studiepiano. Ik zoek vast een goed plekje voor de Steinway vleugel. Al binnen een week heeft hij er een op het oog, zeer betaalbaar, notenhout en een aanvaardbaar geluid, zeker voor onze door de hardrock geteisterde oren.
Dat gaat niet door, onze zoon wil een zwarte.
