Een uitgave van mats bv ©

PIJN

Jaargang VIII, 17

Vanmiddag ben ik met mijn zoon naar het ziekenhuis geweest. Ik zeg niet waarvoor maar het is geen kleinigheidje. We zijn al een tijdje met deze kwestie bezig en nu zijn we door de huisarts doorgestuurd. Een specialist gaat ingrijpen.

‘Ik hoop maar dat het niet erg pijn doet,’ zegt de jongen. Hij is flink zenuwachtig.

‘Ik denk dat jij daar wel tegen kan,’ zeg ik en bedoel het eigenlijk als een hart onder de riem. ‘Maar ze zullen vandaag alleen kijken.’

Wonder boven wonder zijn we snel aan de beurt, want onderweg door de lange gangen van het ziekenhuis zijn we heel wat uitpuilende wachtkamers gepasseerd. Eerlijk gezegd waren we ook wel een beetje aan de late kant omdat we nu eenmaal niet dol zijn op wachtkamers. Onze dokters hebben zelfs tijd om twee keer te kijken: eerst de coassistent en dan de echte dokter. Maar ze zijn het gelukkig eens: er moet iets gebeuren en snel.

Omdat het over mijn zoon gaat, wil ik duidelijk en uitvoerig geïnformeerd en overtuigd worden. Dat doen ze ook, de dokters maar ze willen er niet al te veel discussie aan wijden want we zijn wat aan de late kant. We prikken meteen maar een datum voor de ingreep. ’s Morgens vroeg komen, maar gelukkig dezelfde dag nog naar huis.’ Maar je gaat bij ons wel even slapen, zodat je er niets van voelt,’ legt de dokter mijn zoon uit. Hij doet niet flauw en laat ook op een tekening zien wat er gaat gebeuren, inclusief het vlijmscherpe mes. De jongen begrijpt het en geeft duidelijk antwoord als hem wat gevraagd wordt. Hij heeft ook heel helder kunnen uitleggen wat het probleem is. Maar als de details ter sprake komen, ontwikkelt het gesprek zich toch een beetje in mijn richting. In de auto terug naar huis blijkt dat hij het uiteraard allemaal goed heeft kunnen volgen.

‘Als het te vies wordt voor jou om te kijken, hoef je niet te kijken, hoor papa.’

’Zo erg zal het zeker niet zijn, jongen. Ik blijf gewoon bij jou; ik kan daar heus wel tegen.’

‘Ja, van je eigen zoon misschien wel.’

Ik ben inderdaad geen held in dat opzicht, maar ik blijf bij hem totdat hij onder narcose gaat en zit naast hem als hij wakker wordt. Hij zal pas jaren later weten dat ze toch geen flauwvallende vaders toelaten in de operatiekamer. En anders is mama er ook nog.

’Denk je dat het pijn doet?’ vraagt hij mijn vrouw als we thuis zijn.

‘Een beetje wel, jongen,’ zegt die natuurlijk, ‘maar we blijven de hele tijd bij je.’

Op ons kan hij rekenen. Het duurt nog een paar weken maar het gaat echt een beetje pijn doen.