Een uitgave van mats bv ©

PINDA'S IN DE DOP

Jaargang VIII, 40

Op de laatste mooie dag van het jaar gaan we nog een keer met z’n drieën naar de speeltuin.

Mijn vrouw heeft nog van alles te doen in huis en daar zijn wij niet speciaal bij nodig. Het is tevens zo’n beetje de laatste dag van het seizoen en ik weet niet of we volgend seizoen nog wel naar de speeltuin kunnen. Dat zal dan misschien toch wel een beetje te kinderachtig voor ze zijn? We pakken de koeltas in volgens de beproefde succesformule. Blikjes drinken voor iedereen, een versnapering en een grote zak pinda’s in de dop, die eigenlijk niet in de koeltas hoeft, maar dan hebben we alles bij elkaar.

Die pinda’szijn een vondst van mezelf, waarmee ik regelmatig goedkeurende bewondering oogst van andere speeltuinmoeders en –vaders. Een blikje drinken is namelijk zo weggeslurpt en een koek zo weggehapt, maar om pinda’s te doppen moet je even gaan zitten. Ideaal om even bij te komen van het rennen, getroost te worden na een valpartij of af te koelen na een ruzietje.

Vanwege een lief zonnetje en het eind van het seizoen is het nog best druk, maar ik vind een picknicktafel waar maar één moeder aan zit. Mijn geoefende oog en het heel dikke boek voor haar neus vertellen me dat ik hier rustig kan gaan zitten zonder de hele middag te hoeven babbelen. Ik heb namelijk de krant bij me en die ga ik deze middag heel langzaam helemaal uitlezen.

‘Hier zit ik, jongens,’ zeg ik volledig ten overvloede, nadat ik me geïnstalleerd heb. ‘Jullie weten me te vinden.’

Dat klinkt makkelijker en luchtiger dan het feitelijk is, want binnen een minuut ben ik ze uit het oog verloren en het duurt tenminste een kwartier, voordat ze zich voor de eerste keer melden voor de foeragering. En een kwartier kan een eeuwigheid zijn voor een vader met zo’n rijke fantasie als ik.

‘Ze komen altijd toch weer even kijken,’ zegt de moeder naast me, die me heus wel doorheeft. Haar kinderen blijven nog langer weg dan die van mij en ze raken elkaar ook nog eens kwijt. Ze komen haar steeds vragen of zij een van de anderen gezien heeft en welke kant ze dan op gingen. Die van mij blijven tenminste bij elkaar. De tweede keer blijven ze een halfuur weg, maar daar sla ik me al wat beter doorheen. Als we wat gedronken hebben en een stapeltje pinda’s hebben gedopt, stuur ik ze inmiddels met een gerust hart weg. Ik lees de krant en kan niet van de pinda’s afblijven. Veel later komt het onvermijdelijke ijsje en voordat ik het weet, staan ze aan mijn mouw te trekken: ‘Papa, papa, ze gaan sluiten, hoor.’

’Is het al zo laat?’ Waar is de moeder naast me gebleven?

’Vlug naar huis, mama is vast ongerust.’

’Zijn jullie daar alweer?’ begroet mijn vrouw ons hartelijk. ’Ik ben heerlijk opgeschoten zo zonder jullie.’

De zak pinda’s is nog half vol.