Een uitgave van mats bv ©

PIOENROZEN

Jaargang XII, 21

Hoewel mijn moeder niet meer in haar eigen huis woont, moet de verwarmingsketel blijkbaar nog gecontroleerd worden. ‘Verzekeringskwestie,’ zegt de mevrouw van de onderhoudsmonteursplanning met de nodige noodlotsdreiging in haar stem. Wij kunnen het zo regelen dat de monteur een half uur van tevoren belt, zodat ik even van mijn klus weg kan glippen om de deur voor hem open te doen. Kan ik meteen de post oppikken die nog niet wordt doorgestuurd. Vooral bankafschriften en bedelbrieven van allerlei goede doelen die mijn moeder altijd feilloos en niet tevergeefs hebben weten te vinden. Straks ga ik nog even bij haar langs, om bij te kletsen en om haar een paar handtekeningen te laten zetten onder verzoeken voor machtigingen en dergelijke. Ik ben haar administratie aan het opschonen. Overigens hoeven alle paters en missiezusters en andere nobele doelen zich voorlopig geen zorgen te maken. Zoals mijn moeder altijd zegt: ‘Zij hebben het harder nodig dan ik.’ En dat blijft voorlopig zo.

Terwijl ik wacht op de man van de verwarming, wandel ik door de tuin. De tuin en het huis hebben iets mistroostigs zo zonder mijn moeder, om weemoedig van te worden. Achter de kasten die nu op haar nieuwe flat staan, zijn de spinnenwebben te voorschijn gekomen, op de muur een witte plek in de vorm van een kruisbeeld dat daar altijd heeft gehangen. Het gras in de tuin zou gemaaid moeten worden, tussen de tegels groeit onkruid. Een bed donkerrode pioenrozen staat op uitbarsten. Jammer dat ze daar niet meer van kan genieten.

Ik maak een enorme bos van de rozen en pak die in met een stuk cadeaupapier dat ze om een of andere reden heeft bewaard. In een achtergebleven kast vind ik een geschikte vaas.

‘Dag jongen, wat een leuke verrassing dat je me komt opzoeken en wat een prachtige bos bloemen. Daar heb ik precies de goede vaas voor.’

‘Ja,’ zeg ik, ‘deze.’ En ik laat haar de vaas zien die ik uit haar huis heb meegenomen.

‘O, je hebt hem al gevonden. Maar dat was natuurlijk nergens voor nodig, die bloemen.’

‘Ze komen uit de tuin.’

‘Ze zijn prachtig.’

Ze vertelt dat het goed gaat. Ze heeft last van haar leeftijd, maar met ‘dat karretje’ komt ze nog heel aardig vooruit. En ze komen haar nog regelmatig halen voor de bridgeclub. Tot haar verbazing komt haar oude buurvrouw, waar ze vroeger ook altijd mee bridgede, ook op die club. Ze dacht dat die buurvrouw eigenlijk naar een verzorgingstehuis was gegaan, maar blijkbaar is ze weer terug naar haar huis, want anders konden ze elkaar immers niet treffen. In werkelijkheid heeft het lot de twee oude dames weer bij elkaar gebracht in dit tehuis en de verzorgenden brengen hen dus blijkbaar regelmatig samen rond de kaarttafel.

Maar het bridgen stelt niet al te veel meer voor, vindt mijn moeder toch. Haar oude buurvrouw ziet het volgens haar allemaal niet meer zo scherp en af en toe moet zij haar onder tafel even een seintje geven. Ik grinnik wat bij mezelf. Meneer Bridge zal zich in zijn graf omdraaien als hij de toegepaste spelregels ziet.

Terwijl we gezellig zitten te keuvelen, gaat achter ons de deur van haar kamer stilletjes open. De buurvrouw die het niet meer zo scherp ziet, is met haar rollator de lift ingestapt, heeft de juiste verdieping van mijn moeder gekozen, heeft de doolhof van gangen doorkruist en uit al die precies op elkaar lijkende deuren, juist die van mijn moeder weten te vinden. Blijkbaar komt ze even buurten. Mijn moeder hoort haar niet en zij vertrekt weer schielijk als ze mij ziet zitten.

‘Mooie rozen,’zegt mijn moeder, ‘prachtige bos. Dat had natuurlijk niet gehoeven.’

‘Ze zijn uit de tuin.’

‘Jouw tuin?’

‘Nee, jóuw tuin.’

‘Gôh. Goed dat je ze geplukt hebt, want daar ben ik niet meer.’