Een uitgave van mats bv ©
PLATO EN ZO
Jaargang XI, 44
Wij zijn voor een heel lang weekend naar Frankrijk, naar de Bretagne of Normandië, of iets daartussen in, daar willen we even vanaf wezen want op de kaart van de ANWB konden we de grens niet zo goed zien. In elk geval zullen we logeren op een heus chateau dat wordt gerund door twee Nederlandse jongens.
Dat is eigenlijk niet zo verstandig, want zoals bekend doet mijn vrouw vermetele pogingen om het Frans te overmeesteren en dan is het waarschijnlijk het beste om je helemaal onder te dompelen in de taal.
De streek tussen Normandië en Bretagne is een flink eind rijden vanuit Nederland, maar dat is tegenwoordig geen probleem meer. We hebben een comfortabele auto, de zoon wordt niet meer wagenziek en kan dus ook een boekje lezen of op de gameboy spelen onder het rijden. En we kunnen tegenwoordig heel goed kletsen en babbelen over koetjes en kalfjes. Zeker als we goedgemutst zijn en dat zijn we, want we hebben er zin in. Hard gewerkt en ons best gedaan, bij de baas en op school.
Dikke pret ook als mama haar Frans oefent op de meneer in het hokje van de tolweg; ‘Bezjoer mesjeu.’
Heel flauw natuurlijk, want ‘bonjour monsieur’ schrijf je weliswaar heel anders, maar spreek je precies hetzelfde uit. En de meneer in het hokje begrijpt heel goed dat die Nederlandse mevrouw haar best doet om aardig te zijn, maar snapt helemaal niet waarom die drie andere Nederlandse idioten in de auto hem zitten uit te lachen.
Wij merken trouwens dat de Fransen in die hoek van het land wat vriendelijker zijn dan in Parijs, waar we dit voorjaar nog waren. Als wij zeggen ‘pas de l’ail, s’il vous plait’ krijgen we inderdaad geen van het knoflook en menig ober slaagt erin zijn gezicht in de plooi te houden bij de uitspraak. Mijn uitspraak wel te verstaan, want mijn vrouw is nog niet zover en die is trouwens ook helemaal niet allergisch voor knoflook.
Het chateau-hotel is poepie-sjiek, maar daar trekken de kasteel-labrador en de kasteel-katten zich niets van aan. Die sluipen ’s ochtends gewoon de kamer van de kinderen op en nestelen zich tussen hen in op bed. Net als thuis eigenlijk. De kasteelheren hebben snel in de gaten dat het in ons geval nergens voor nodig is om zich te verontschuldigen voor het vee.
We eten ‘s avonds steeds in een restaurant ergens in de buurt.
Dan blijkt het toch heel anders te zijn dan thuis. Daar is de maaltijd tussen ‘wie moet de tafel dekken’ en ‘even helpen met afruimen’ meestal net lang genoeg om de lopende zaken, de tafelmanieren en de broer/zus-kat/muis-verhouding de revue te laten passeren. In een Frans restaurant ruimt iemand anders op en af en ontstaat als vanzelf ruimte voor een goed gesprek.
We praten zelfs over het leven en de dood en of er daarna nog iets is. Dat komt misschien omdat we overdag een kapel bij een klooster hebben bezocht waar nogal wat leven en dood-symboliek uit te leggen was. Ons idee van opvoeden is toch een beetje om zo weinig mogelijk gespreksonderwerpen uit de weg te gaan en ook om een beetje intellectueel te kietelen. Van het christelijke gedachtengoed krijgen ze in onze maatschappij vanzelf heel wat mee, maar wat Plato van de dood vond, is ook heel interessant en dat horen ze van mij.
Te hoog gegrepen? Misschien wel, misschien niet. Want ‘Plato of zo’ blijken ze te kennen, uit een of andere tekenfilm over Atlantis. Dat was toch het land vóór alle andere landen? Van daaruit zwermden na de ondergang de volkeren toch de wereld over? Voor een goed gesprek is het niet echt noodzakelijk dat we alle feiten precies correct hebben. En zou dat niet verklaren waarom de mensen over de hele wereld elkaar precies dezelfde legenden en sagen vertellen?
‘Nou, dat is eigenlijk logisch hoor papa,’doceert mijn dochter. ‘Want bij sprookjes gaat het altijd om de moraal en dat is voor alle mensen natuurlijk hetzelfde.’ Elf-en-een half! Mijn vrouw en ik kijken elkaar eens aan omdat de tijd blijkbaar zo snel gaat. Maar goed dat we eens rustig met elkaar aan tafel zitten, ook al moeten we daarvoor helemaal naar, pakweg, de Bretagne.
Later, bij het dessert ongeveer, blijkt er nog wel een wereld van verschil tussen een bijna-puber-dochter van elf-en-een-half en een lekkere knul van ruim 10. In zowel culinaire als intellectuele ontwikkeling. We zijn pas halverwege de vakantie en de jongen vindt het allemaal best met die goed gesprekken en dat buitenlands eten, maar hij hecht wel aan tradities.
‘Op de terugweg gaan we weer gewoon lekker bij McDonalds eten, hè mama?’
