Een uitgave van mats bv ©

PLEK

Jaargang XII, 14

Een keer ben ik naar buiten gekéken en een keer ben ik er gewoon uitgezet, terwijl ik bij mijn moeder op visite was. Normaal overkomt mij en mijn grote mond dat zelden, maar de verzorgers en verzorgsters in dat soort tehuizen worden klaarblijkelijk uitgezocht op hun kordaatheid en doortastendheid en als die je vriendelijk doch dringend verzoeken om nu te vertrekken omdat het een beetje druk wordt op de afdeling, dan gá je.

Inmiddels weet ik dus dat ik het beste om een uur of zes kan komen. Dan heeft ze net gegeten en de soap The Bold and the Beautiful, waarvan ze de laatste 25 jaar geen aflevering heeft gemist, is geweest.

Ze zit heerlijk op haar gemak in het piepkleine logeerkamertje van het tehuis. Het bevalt haar prima, ze heeft geen klachten over het personeel, het eten is goed en een paar keer in de week zegt ze te bridgen in de gemeenschappelijke ruimte. Dat is dus de ruimte waar ik ben uitgezet, maar van tevoren heb ik natuurlijk wel goed rondgekeken en het lijkt me sterk dat ze in dat gezelschap drie bridgepartners zou vinden. Van de andere kant heeft ze ook jarenlang elke avond met haar buurvrouw gebridged en dat had ook al niet al te veel met de originele regels van het spel van doen.

Haar huidige plek is tijdelijk. En hoewel mijn moeder als uitgangspunt heeft gekozen dat ze van goeden huize moeten komen om haar er weer uit te krijgen – ‘ik zit er toch, jongen’ – zal ze toch nog een keer moeten verhuizen. Een van mijn zussen heeft een ware survivaltocht door de jungle van instanties gemaakt en uiteindelijk een nieuwe plek voor haar gevonden in een ander huis. We zijn gaan kijken en het is een prachtige ruime kamer in een nieuw gebouw en haar oude bridgepartner zit er ook.

Mijn moeder vindt het goed, ook al is het niet het huis van haar keuze. Alles is blijkbaar goed, als ze maar niet terug hoeft naar huis.

‘Jullie moeten dat huis verkopen, want van leegstand wordt het niet beter.’

En een week later: ‘Hebben jullie dat huis nou al verkocht?’

Het schrijnt om te merken dat het haar blijkbaar al een paar jaar heel zwaar is gevallen, helemaal alleen in dat grote huis.

‘Ik kook nog elke dag voor mezelf,’ kon ze dan opscheppen, maar ze vertelde er niet bij dat het steeds moeilijker werd en dus ook wel eens werd overgeslagen. Als ze de deurbel al hoorde, deed ze meestal niet open, zodat allerlei instanties gewoon ook niet binnenkwamen, zelfs niet als ze van tevoren wilden bellen om hun komst aan te kondigen, want ‘de telefoon is ook niet helemaal in orde.’ En als ze al iemand binnenliet, probeerde ze die op dezelfde manier voor de gek te houden als ons.

Terwijl wij al jaren krampachtig proberen om haar daar zelfstandig te laten wonen en zo veel mogelijk zorg en ondersteuning aan te bieden van onszelf en instanties, blijkt nu dat we eigenlijk veel eerder kordaat hadden moeten zijn. Misschien hadden we een bejaardenverzorger in de familie moeten hebben.

Zaterdag gaan we haar verhuizen van haar tijdelijke naar haar definitieve kamer en halen we haar eigen spullen die ze mee wil nemen uit het huis.

Het is goed zo, mijn moeder is tevreden en tot rust gekomen en wij kinderen beginnen het te accepteren. Ze is scherper en opgewekter dan ik haar lang heb meegemaakt en vanavond is het weer gewoon gezellig.

Blijft alleen die kwestie van de gehoorapparaten. Ze heeft twee prachtige gehoorapparaten gekregen, die haar zijn aangemeten door een geduldige audicien, die ook bleef komen nadat ze hem twee keer had weggestuurd. Het zou de communicatie wat makkelijker maken en ook wat rustiger zijn voor de hele afdeling als ze die zou dragen.

Dat weigert ze.

‘Nergens voor nodig, ik hoor nog uitstekend, jongen.’

‘Wát zeg je, mam?’

‘Ik hoor nog bijna alles.’

‘Wát zeg je?’

‘Ik hoor no…’

Maar dan vat ze hem.